Vooraf, Bedankt voor uw interesse. De gedichten hieronder zijn bij benadering chronologisch geordend. Het vroegste werk (voor 'Spelen...') bespaar ik u graag. D'r zit zo al genoeg in van hoog beschamend gehalte. Omdat ik het voor een uitsluitend on-line publicerend auteur echter belangrijk vind dat hij/zij zelf niet de enige selectionerende instantie is, meende ik er echter goed aan te doen u deze kijk in mijn oude keuken te gunnen. Zelfs al is er nauwelijks iemand die dit ooit lezen zal, het gebaar is voor mij van essentieel belang. Voor alle duidelijkheid even dit : ik heb niets tegen traditioneel publicerende auteurs, ik ben geen fanatiek voorvechter van den nieuwsten techniek & ik heb niet zo'n grote dunk van m'n gedichtjes dat ik ze niet wíl publiceren. Ondergetekende is gewoon een beetje lui & per toeval ook werkzaam in de multimedia-business. Met al mijn multimediale kennis van toeters & bellen ben ik een absolute kluns wat tekstverwerkingsprogramma's betreft. Heb gewoon geen tijd om die dingen te leren, met als gevolg dat u hier zit opgescheept met een onoverzichtelijk zootje lettertjes zonder inhoudsopgaaf e.d. Hopelijk vind ik 's een gewillig slachtoffer om de zaak te fatsoeneren. Tot zolang mijn excuses & desondanks : veel leesplezier. dv DIRK VEKEMANS TOT NU GEDICHTEN 0.1. (1992-99) 1. SPELEN DAT HET DONKER WORDT ONTZIELDE ENGEL BLUES VOOR EEN VERDRONKEN ENGEL ( How vainly men themselves amaze ... MARVELL) I Nu banden je smalend de bocht uitgieren, en kranige lieden je nauwgezet hun bolwerk uitvijlen en het gif de bloemkelk uitgutst van de roos die je halsstarrig staande houdt in de tuin van je stalag, nu je verzopen in je regenjas in bermen toestuikt en het je nog een vrachtwagen van grote tonnage door je kop raast, en nog een, en nog en nu je nog niet roept maar al fluistert : zachter dan het waaien van een zomerbriesje door je haren, toen je nog kind was, krijg je het niet, of niet nu. II De ader een adder die zich volgevreten te barsten legt op de eelt rond je parels : de zee zoek bijt ze zich bij tanend zonneroos in de verzweerde staart. Vaalbleek licht van de verzwolgen corona klotst je steiger aan : een enkeling doet de knieval, niemand kerft je naam. III En ginds, op het rood doorschoten drijfveld van je oog, schiet het gras elke lente zwarter op, en wat je verkrampt slikkend gestalte gaf, stroopt men, dwingt rillend dagelijks tot meineed, tot springen als aas in de urne voor de vangst van vettere spoken. IV Tot al het aangemaakte zwart bedachtzaam in de duisternis tot niets verzinkt en zich blauw balt, een bol basalt waaruit de eerste traan zich nog een zee ontrollen laat of nu niet, al ontspringt. ZEEMANSKLACHT 't Grijze vlak van zee en lucht strekt eindeloos. Nu klampt geen kleur dit schip nog aan, geen zon slaat hoogblauw op, geen gouden maan bestijgt de boeg. Nacht is dag is nacht nabij, is ruimte die geen plaats geeft. Meermaals schreeuwt wel één van ons zijn land in zicht en zeg ik schamper klanken voor om blinde hoop te doven; bezweer ons streven, schrijf met blauwscheut in mijn hand en in mijn oor het krijsen van de meeuwen rond haar ver, versteende hoofd. In de grondtoon aarde staat wat achterbleef : kraakhout, druipsteen van ons huis dat dampend in de mist verdween. ONWEER Hoe helder kan gehurkt bij nacht nog de lichtknak in de loop geblazen worden ? Hoe blauw nog bij het vervagende, de schaduw van een ver verschoten pijl ? Wie spreekt nog dit graf uit en welk masker afdoende voor het nakende geslechte ? Soms, gruwend, hul ik mij dieper in de plooien van haar kleed, mijd zelfs van lucht de verplaatsing, heb slechts haar lijf lief in herinnering van lage, zwarte wolken. ONTZIELDE ENGEL I Nergens heeft hij zijn tijd mee. In droomoorden rotten buitenissig sissend op zijn bijten alle zonnevruchten. Onder vliezen knarsen onwillig hier de afgeknotte wieken, zo loopt hij lankmoedig als stekjesneger steunend op een stok. Dorstig weifelt hij wel eeuwen, draait op zijn weg adders bezwerend alle stenen om. II Hij tafelt waar hij kan. De schaduw van een cactus is hem hoog en breed genoeg. Niets overvalt hem zo als eten, dat hij bij wijle van lachen niet meer kan. III 's Nachts smeedt hij sikkels van wat voorhanden is : beroette stengels van komforen, kippegaas waaruit je pluimen plukt en prikkeldraad waarin nog lever plakt, zwarte dozen, blik waarvan het opschrift moet verwijderd worden. IV 's Ochtends schiet al het gestorte verzamelde als kwikzilver weer in zijn roestende vorm : hem ontwapent de wereld, hem betitelt men de vreemdeling, een voddeman. Dan draait hij zich tot u, zoeker van bronnen, om en dorstig, om. DESALNIETTEMIN TOT ZONSOPGANG GEDRONKEN Bloemen bogen, takken zongen mij en bomen spleten voor de letters van mijn bril. Mij mede viel geen woord te houden, het sterft nu als kreet het landschap in en de treurnis smaakt zoet om al het verdwijnende. Suikerranden, fruit en fancy, vliegen in het leeggezogen glas, spinzieke poes op mijn buik. Van niets ontstane gezegende eenheid : logge leeghoofdige leden laten mij ontzenuwd achter, vanzelfsprekend toe in hun midden. FAVEREY BETITELD Op het onmetelijke ijsveld dagelijks het inslaande woord dat zich wederkerend door de herinnering van dingen naar hun stilte, stilstand boort. Duizend Poolse moeders zoeken broodloos, zwak de Oostzee af, richting Kattegat. Daar verdween die niets hoort een schaatser, duider van het wak. VAN BRABANT VERBASTERD Zo klapt hij uitgebeend de ochtend in en zingt hij schor de bloemen toe op het van vocht verschoten behang : harba, harba harba lori fa. Zo droomde hij van water : hij erin en hij het water, urenlang tot de zon hen riep van zwemmen moe : harba, harba harba lori fa. Zo ziet hij alles staan, zijn leven lang en nooit is er iets, dan water in zijn dromen, dan slaan zijn ogen toe : harba harba harba lori fa. THE MOON SEES NOTHING OF THIS (S.PLATH) Beperkt tot het park in de stad staat de maan en spiegelt zich een honds bestaan in de vijver verwaterd, verwijfd door wandelaars, als vrouw ingelijfd in hun spraak van zon en zij moet zwijgen. Kaal en wild rees de maan in jouw nacht, een vrouw met een lijf dat sprak zoals jij, naakt met sikkels taal, manhaftig de gedachte spinrag schijn verscheurend, altijd vol haar waarheid openbarend. De stad heeft jouw stem in haar stenen gesmoord. Beperkt tot het park in de stad wacht de maan. OPGETELD Niemand had dit loon. Het werd hen, de toegewijden, trouw toegediend : de blonde haren die vergelend sluik haar ogen derfden, haar mondje droevig vol verwondering & hem, vergeefs nogal & droog des ochtends als doordrenkt papier van kranten de tafelen opgedrukt. Merz. Steeds meer & dieper dan goud stootte de gedachte door : het was als niemand dat hij waarlijk telde. g INITIATIE INITIATIE INITIATIE Blauw rondom de galmende ruimte met, net als in kathedralen eertijds gezangen, het snerpend snijden van zandsteen ter verstomming van de enkeling die niets gegund dan in orgelpunten stilte het rustgevende razen van veraf het stadsverkeer, gehurkt de kogel draagt die aan draden hoog gespannen hem een holte drukt in het achterhoofd : zo boort zich tergend traag de wereld een begin. MAAN Voluit een roos, spreek je haar uit : blauw, zeg maar, als het blauw in het glas van een blauwe knikker. Trapsgewijs mischien, raak je haar aan, af ? Niet : geluid dat ze dan niet maakt alsof je een vlezige oorschelp een vraag krabde. Een verhaal tot stilstaan toe bezongen, zang, zeg je, maar onderdehand,-. WERF Bezoek je een stad, verwordt ze voor je ogen, verheft zich en midden de werf is ze al jij met je kind & zij met je kind & wij met je kind, kortom de hele etage van het plein zodanig zonnig lachend vergeten, dat de treinen al vertrokken zijn in de bel waar je stond de stad te bezoeken, alsof het onmiskenbaar was dat je haar al miste voor ze je vergat op het genoemde plein, dat je het je nooit zou vergeven haar lach te vergeten. HANDVEST Terwijl je de hand aangrijpt, herlegt die zich duizendmaal eerder al in de plooi, zoals net zo vele dingen de kus op een gekloofde lip kil droogwaaien. Terwijl je al in een schip de wereld af wil varen, blijkt net dat het een bolwerk is, en jij ermede ingenomen spreek je al van renaissance de wolken in. Terwijl er op papier nog nooit en nu niet iets staat, ontstond, heb je het haar al onomstootbaar toegeschreven. WASHANDJE Delicaat, als in reclame, ligt haar hand, nog nat, net nog, ach : laat maar. ZOMERVERGEZICHT Bijna kinds aandoenlijk al, dit tekenen namelijk van dingen als wolken tegen een ongehoorde zon. Het zomert, maar hoe vet je ook de lijnen aandikt, zichtbaar blijft het slechts waar het ophoudt. Zoals het hoort, denk je, kind dat stijfhoofdig toegeschoven lege flessen vult, zo koester je de dampen, wil je vast de kringloop van water als kortstondig heilzame koelte een wang aanhouden : deze, dan deze, en gindse, gindse. NADERHAND Met open mond aanzie je telkenmale de zonsverschuiving, hoe ze van je vingers af vergaat en op de tip van je tong die haar instemmend toeklikt, ligt in de heilloze nacht als laatste knik de geblokte naam die je ophikt, waarna het hoofd het melkwitte tafelblad rijkelijk aandikt. Onderhands tikken de nagels vergeefs nog een metallieke zang, vergeefs als het vergeefse vleugelwieken van de vlieg die de weg uit je haar verloor. Naderhand klem je de dag koppiger tussen je tanden, vergeet nooit nog het blauwe bedrog in je spiegel, de gesloten belofte, ooit : brandlucht van een eertijdse dageraad. ROOS Rondgesleten stenen stapelen zich af. Omgord gevaarte splijtend in de barst van de afgewende blik. Anus mundi. Rook & 's morgens op de marktdagbus het torende zicht op het naar je geaardheid krullende wicht. Roos : lekker stuk. DROOMDOOD De gestalte die je was, daareven, de wandelaar die toen halt hield, zich omdraaide, vervaagt al in het park : wellicht geurde er nog wat, zag je het nog te vatten als verwelkte bloesemgeuren in je brandkast, een verhaal dat afgesloten zijn plaats bewaart, waar het niet eens wenstte te zijn. Loodzware, dichtslaande deur : zo klinkt dan de klap die de droom maakt, als hij stilvalt, vierkantig door de opgehouden leegte op de stilte ploft, zich verder slechts als lijk laat lezen, uitgestrekt op de plaats waar je was, die verdween, net, toen je halt hield. LES Als, zo wil ik je het nog zeggen, een glas met zingende rand, een speelplein en jij er loeiend op, diepgroen beslagen als een boon die je na het koken schrikken laat, net, zo wou ik nog, nu de bel ging. MORS DOOD SOLVITUR (Hor.C.I, 4) Los en leg weer aan : vat in luwte de verwaaiende galm. Hoor toe, herdenk de spankracht van de kramp bij het bokkig stampen van beslagen winter- hoeven. Nu vermanen de dagen : luister, oog je het al ? Offer een gebaar, teken niets, snuif Siciliaans. Bij goden dit voorjaar doorzeefde rozen in de afslag- bak : sla toe, sta op, verga. Toeslaan, opstaan, vergaan. All together now : (pang, ing, dedede) VIDUS (HOR.C.I,9) Kijk nu : onafwendbaar stuikt dit licht de top af, verheldert van de schreeuw een sluier schijn gevat in het nog doorzichtige ijs. Zie nu : het kraakt zich uit in het zwichtende bos, & voor het klatert, breekt, plakt de beek al haar tong aan je roestend verweer. Vlug nu, toe maar, Thaliarchus : neem haar waar die lillend voor je ligt, drink je aders open, stook vuriger de goden het goud uit. Hou je vingers in de gaten van je stralende masker, braak haaks op het ijle, jij, jongeling, een streep hitsig hikkende hitte. POSCIMUR (HOR.C.I,32) Bezocht. Ter staving spaart mijn hand het wit op dit vergelende blad : het krult & maakt zijn klank tot wet bij het kraken van een vingerbot. Een golem tokkelt nu zijn lust om steels een knop tot moes te knijpen : klink & kerf dan mij, o lier, de zwartst versteende bloei van rozen op het hoofd & klik dit zonneleven alsnog ondertonig vast. NON (HOR.C.II,20) Niet het frèle noch de lus van lucht die mij omspant verbrandt, niet ik, misdeeld in koperwaar, niet ik zal iemands plaats benijdend tranen in het oogwit mesten. Dubbelzinnig anders zal ik bij herhaling niet weten te sterven, in gekende spreuken blanco bijgezet, mij als zwaan met de stilte herenigen. In wolken belletjes Berlijn wittend weet men van mijn hek net niet de naam te noemen in het vol gestolde spitsuur van New York, Nairobi, vast ook Tokyo. Laat vergeefs geen klaaglied zwellen in wat trilt van leegte, de holte die ik je openlaat. O (HOR.C.III,13) In stilstand slaande kilte : seizoens- hoogstandje. Plausibel zijn cidergetintel, brandkus van motten, afval- ligge Hondsster blakend naast zijn gebeente : doodsvoornaam eik op knapen afgeknapt. EXEGI (HOR.C.III, 30) Toen in stilte mij vergeten al uw ruisen overdonderde en verdord een druppel regen mij een zondvlaag horzels in de nek was, brak mij nog van u ontdaan elk streven af op haarfijn crù gerekte zeeomspoelde stippellijnen; toen brak, als steen van roos gebarend, ik, in mijn kalend zwijgen, op de bieptoon af en zei : in deze vloed een spitse schelp, stuk gevormd, deels gelaten, datum bij het loze van uw aarzelen. PHOEBE (HOR.C.S.) Zonneklaar is deze eeuw het al niet meer te krijgen dan toen de maan hierin nog leider was. Je gebaar, gewiekste kramer, lijkt slechts belangeloos voor hen die 's nachts de markt bepraten. Openbaar gist het geraamde tal lijken tot hun aangezicht dit heden niet meer binnenkan. Sluit haar maar binnenskamers, ransel van geen kansel je ratels, bid maar niemand aan je kralen. NATUS (OV.M.I,78 e.v.) I Gouden kruin, hemeloog, spiegelende zilverschaal, bronsbuik & onderaan de sijpelende brak water- kraan, loodzwaar op in ijzerlassen lossende stellage van sterrenstof : sic, zo, het, jij, onik, japetmanskunstje, sta je deze blinde aarde aan, stuik je era's naamloos in. II Kansloos verankerd,tragisch begint het je dan te dagen. Kraakscheur, eerst, in het zeil, vleesrot aan je geplante klompen, haarklievende ijs- winden & aan je schenen vuur- stormen voor de stilte van de koortsnacht : nacht, het zwart tot in de hemelnok & dan het sluipend verwoestende, roestuitzaaiend woeden van een oerberuchte geelzucht. III In sidderende repen klam bladgoud steekt 's ochtends de eerste zon je resten aan. Verwaaid, verward, bij voorbaat moegesard, knipt ook je de aarde in wel duizend ogen toe. Driemaal rinkelt dan schel van luchtdoortrillend heil het lang verwachte belletje : over zeeën kan je voortaan als uitgeplozen eeuwigheid lopend op de planken staan. SPELEN DAT HET DONKER WORDT Spelen dat het donker wordt : zo dook de boeman nacht gebrild op ski's de kamer in, brak daverend het raam tot een spiegel van waarachtigheid. Kijken dat het je ernst is : met lampen in je kop & een rimpelende voetganger waar je haarlok klefte, voor je het gordijn dichttrok. Dat het donker werd, speelde je & zij die lachend aan haar fopspeen trok, schreef nauwgezet het gepaste getal op de lat. Van tuinwerk dromen, uitgespitte grond en of je daar een parel trof? Niets bleef bewaard, hoe je het ook prijsgaf aan de tijd dat je nog bestond, hoe ook je het van griekse schoonheid, haar scherpte losgewrikt & van de aarde afgebroken vond : een gaffelfragment, het uitgeroeste nagelgat gebeten op afwezigheid. Werktuiglijk stond je aan een belt dit ereteken af. Afdoende werd het instappen op de trein te Booischot van de postbeambte nooit beschreven. Dood is alles wat wij wakker zien. Ontwaken, zo, getrouw de dag die plots het zonlicht ziet die bij haar thee gedroogde abrikozen eet, een dame op haar stekje slurpend tussen vlagen regenval in januari & die misschien die dode aarde van zich slaat in mostar waar het ketst & moorden gaat weer zo meteen & voor een tijd nog wel die zich voor haar & de ober om de rekening nu dadelijk niet stuiten laat : zo getrouw de dag ontwaken dat het respectabel is & elk gerucht van hoogste tijd gelijk de kop indrukt. In tegenspraak jezelf de vloek ontzeggen, verblind door hoe de zon zo ijzig laag je oog inketst & murw van de wind die weer de andere hand dient aangeboden. Een hoofdvol kiespijn schud je meewarig de woorden toe, voor het kwaadste spreken uitgedost : het leed, geen twijfel, is de stilte aangewezen, & waanzin het klapwiekend uitslaan van luttele veren. Heroïsch wordt er zelden des winters een leven de dood aangedaan. Verlangen, bijvoorbeeld, dat de mist de voorjaarsdag een glans verlene, alsof het verder niet meer hoefde. Roerloos, hooguit, op het randje & door heel gaarne te kijken, zie je nog iets. Voor beweging is de tijd te klein : de klok vertikt een eeuwigheid, een trein ontwikkelt zich, een wijzersprong & alles eindigt zoals het net begon. Verlangen, bij voorbaat al, de hoop tot het zichtbare te beperken. Over daken turen, naar naden speuren : elke achtergrond een nieuwe afgrond. Van dak op dak & heel erg wit blijft het pluimsliertje schoorstenen tonen. Stampvoetend tot hier de laatste snik van kleur verdacht mij uitlijnt, valt er niets te beginnen. Al hapt de hond zich dol, sneeuw herhaalt zich niet. Valt, hoe plots ook : een goed oog erin. Je hebt voordien & weet hoe ook uiteindelijk het laatste pluisje van de paardebloem iets raakt. Ondraaglijk echter, telkens deze winternacht, wordt de herinnering aan hoe het spel het licht deed duren,- alsof het zo niet verder kon. De kamer stelt zich in, open als de zee & dood- gewoon van zichzelf & kwaad niet geweten. Alsof niet meer dan dit zichzelf was, rimpelloos : 14 SONNETTEN Een winteravond slaat de wereld af, een blad en in het licht daarvan, in zilverlingen, drupt elke tel een lek gerinkel uit aan hun stad verzoende kranen. Hooguit blijft een laatste meeuw nog krijsend uit het zwartst betakte grijs gesneden tot ook haar woord zich spiegelt in het ijs op het oog van de nacht : bid het licht dat ijlings uit de kamer vlucht, & bid de stem die naarstig, slag op slag uit poederdroge rozen wordt gebannen, bid de rillende engel die zich in ademnood het gedoodverfde ding benoemt, een ik, bid dat daarin nu dit alles nog verzinken mag. In havens opgebaard, vuurrood geprangd tussen drijfijs en grondvorst, hout, des zomers rot van zee gehaald & toen de herfst haar vale zeil verregend had, voor dood aan land geklonken, verlinkt als brug aan polderwegeltjes, een mijn ter ondersteuning van de diepste schacht : scheepsskelet dat nu zijn kamer tooit. De zondagsverf gebaart in overvloed van voorjaarsstorm en een gemis aan klaarte die de kruik hem schenkt, dus dat het weldra barsten gaat is hem, die onder golven dekens haar te water laat, een kwade zorg voor morgen. Een voetnoot nog, een praatvaar op pamflet, een buitenkans is dit gekleurd missaal door negers in de gleuf van dode huizen gemurwd : glanzend wit belakend ontvangt, met zure port en toastjesmeel, het salon de maandagavondrevolutie. Verzilverd is sinds lang het werk dat nooit voltooiing vond, tot klatergoud geroest elk zwaard dat zich een waarheid boorde : in een lade die de tijd ontloopt vreet een virus al de dagen aan en niemand kan de zee nog lezen. Een mens, bevroren tot een vaag bekraste zuil van rook in ijs, branden dra de letters door : een voetnoot nog, een praatvaar op pamflet. Het vallen, regelrecht door kale bomen van nauwelijks vertakte druppels, on- gehinderd haast : zo snel is stervend loof de aarde ingegroeid. Waar het om ging, gaat, is als een zenuwtrek uit het gezicht vergaan. Herhaaldelijk : een lichaam stelt zich op, stuikt in & laat zich nooit nog lezen. Afgaande op de vleugelslag van meeuwen & wat voortdurend vragend zij een woord aandoet, strekt hij, die stapt & in verlatenheid haar duwt, niet eens te luid of lang niet eens, maar in een pijnlijk grand écart overlands haar da van zee tot zee. De barst breidt uit. Een lauwe wind bekrast het zilverwerk in bomen, een merel vreet zich roodgebekt door't laatste ijs de modder in. Als hersenvocht vloeit uit de open huizen in dampend grijze golven vol van hondenhaar de doodsbevlekte winter weg : de angst verbeeldt zich in een groet, een overslaand gebaar, een schoongemaakte hal zegt kom erin maar weet zich nat nog met de voet getreden. De lente lacht zich hol in helse stormen, & droomt zich nachten geil van bloei, & 's ochtends stijgen zwermen witte meeuwen hoger dan de dreigend lage zon hen kleurt, hem priemend wekt tot oog in wat gebeurt. Een tak breekt af. Een late loper traint zich hier in lang lopen, de vijver vijfmaal rond of meer, & schrikt & schikt zich van zijn pad een plasje in, bespat de nieuwe blazer die hij net nog had & hem & wat hij toen had toegedacht, sprong open, over, zette hem de hak & buitenmaats geblaf, vond zijn hondje, hoorde 't gruwelijk teveel geketend toe dat naderde in 't zog van de verontschuldigde : de grauwe herder die de boete gromde. Een tak brak af. De laatst bewaarde ijskadavers zakken in de brakke bak, de niewste kom, vol zaadbeladen sterven dat niet aarden kon. (I.M.S.B. + 1989) De lucht klaart uit. Een open venster staat open op een open lucht & hij staat hier & hier staande is het afgelopen. Stilte, volle maat. De heg wordt groener dagelijks & dagelijks dichter & dichterbij hier een beetje zelfs. De heg vergeet hem staande hier & hij de heg & 's zomers loopt het verder uit zelfs nog, tot het glas van alle vensters zo zich zuigend sluit, alsof het met een plop iets imposant poneren wil, maar het wellicht van spreken breken zou. De bonte gekte lekt de huizen uit door open vensters in de open lucht, de heg wordt groener & hij staat hier & hier staande is het afgelopen. Niet. Verder. Hij. Een misdaad loont. De oude schuld herleeft al beverig in 't schriele ochtendzingen van treinen die op lijken rijden, heeft hem die haar beging een winter lang van niets ontdaan, volledig stil & kil belaagd gestaag, alsof geen helse drang in hem of haar, zo vol van onverschil, hen scheiden wou & tijd van alle dingen. De stad ontwaakt. In files ingebed leest ieder die het wil wat opgeld maakt & wie de ring ontgaat & 't lezen staakt, verstaat geen vlek van wat hij morsen wil, want stilte zo ontketend overhaakt zijn hang naar haar & de lente dadelijk tot doodse wet. Onder dwarse handen spant het ribfluweel de huid in groeven naar het graf. Haar onmin wekt het zwaar verzwakte wrijven op : dit spel ontaardt tekort gedaan in ongemene siddering, een obligaat droget waarmee zij droogweg diep in 't merg van al haar bastaards snijdt, & 't zoete zoemen van viraal gezag blootlegt waarop zij naakt een daad de tijd ontzegt. Zij laadt zich op met aloud leraarsnijd & wou niet tot zijn spijt wat hij altijd zo hardleers steeds in haar verborgen zag. Ze weet & heet hem scheppend erfgenaam & plukt zijn witte zwijgen tergend langzaam uit haar goed van ruwe, vaderlandse inslag. Grimmig groent bijtijds ontworteld dagelijks de stramme stam wat aan. Een scheut is gauw door late vorst voor haar ontraadselt onder zode : misverstand, want zonder blos bleek onder mos zijn leugen een toonbeeld van het lijken dat gestolen van zijn zolder & voor wat schamel geld als tijd verheeld, bij haar thuis van nijdig ros het zinnebeeld. Met niets van hem nog is zij ingenomen, doet zijn woord in kranten af als kolder & houdt niet op te smeken, onderkomen. Verharde wegen tonen op zijn jaagpad niet hoe hij haar snuivend zocht en dronken hakte, verleden bloed, ontzielde tijd die haar verliet. Homeros was een sterrekundige, verzon hij nu als grootste deugd en wat geschreven stond bevreemdde hem niet meer. Hij beval haar ten huwelijk en spon zich diep in haar : een lila toverbol in slierten uitgezaaid, een ritselen, gesluierd rond haar hals, dat terminaal haar doordeweeks geklets verbond in delicaat geraas, een gaas met perspectief op wat er was, geweest moet zijn misschien, dat was niet klaar. Af en toe begroef hij haar een teder graf en stortte zeeën stilte over haar verderf. Hij werd haar rijk, want sinds zijn schrielste hanepoot, schreef hij haar af tot in de dood. Doorboort dan plots in drift de drijfveer zijn hand & wendt zich spoorslags van hem af. Verging niet ieder die het vuren in de heuvels hoorde & in rivieren enig doelwit trof, het zo ? Zij zwijgt & lijft zich in bij wat hij deed, een daad die haar drukdoende verving bij wat zij sierlijk meed als ongehoord : het aanslaan, namelijk, in stilte van een do. Werpt hij nu te vroeg zijn blik haar toe, zij keert zich af & spiegelt in een droom haar leegheid aan zijn volle schroom. Bos. Een hert duikt op, zij noemt het ree, het wintert weer, zij mompelt nog & eet wat prangt. Hij drinkt wat, breekt & bloedt. De boog die hij beschreef vervult de steen. Hij weet zich aan beweging meegedeeld & telt met haar hun inteelt nauwgezet : wat in vervollediging hen toekomt & wat niet. In kringen wordt een vijver zijn daad aangemeten. Wat niet past verdwijnt & drijft terzelfdertijd al boven. Het vriest niet, maar wat zou het zonder warmte zijn. Likkend aan het mes vreet ook ter dood een wolf zijn bloed. Haar huiveren schermt hem van de koude af. Opnieuw zegt hij haar schouder aan hoe hij door haar is aangedaan. Lente. De steen vervult de boog die hij beschreef. Hij sluit zolang de avond uit haar naderen & uit haar spelen, even, dat zij lopen kon, is elke vorm van val geschrapt. De scherven zetten hem beweend weer regelrecht, paraat beschreven in de zetel waar alsnog geen woord voor is. Zij let nog niet op noten : hij maakt haar de wereld uit & is tot haar vermaak hertekend in de lach die hij als vanouds herkent. Zij leest hem wel, maar spelt slaapwel als hij weldra de kamer donker noemt. Nacht. Het licht gaat uit. Zij fluistert nog in dieper donkergroen een rozeblad voor hem & stiller al voor haar de bloem. 3 LIEDJES PAPA MAAKT DE LENTE NIET De jongste dag begon met kraaien, naar dansend licht dat viel voor haar door ongekuiste kinderkamerramen. Nog winterlijk was daar de zon in opgeknoopt voor het stelen van paarden uit de droom die zij ontloopt. Zo zingen lastte zij de vogels dat de botten afgetekend in de bomen hingen, zo gonzen gold haar kraaien de bijen dat het haar beloofde zou beginnen, zo schril doorsneed zij schellend mij dat ik mij verpreken wou aan haar en mij allicht te dun tot land ontrolde en laaiend wakker werd en blij. JULIREGENLIEDJE Klinkklaar klontjeslicht tikte haar pinknagel het zonneraam aan. Prikroosje zij, klokte mij plagend de boer en ademde dik haar lucht op mijn bril. Schellebellend scharniert al de stadstoeterbus en de deur en de dag, dag dag, haar toe. Dook onder en toen al gedonder onder het breekbaar gebroken wolkenbestand. Droomt zich door druppels niet gehinderde vlinders licht in mijn hand. DRIELUIKJE VOOR LOTTE I Toedracht van liefde, kind dat zich aan denkbaarheid ontrolde, ons te boven kwam en diep gedoken nu op onze dagen dobbert : boei, in zeeën tijd het meeuweteken. II Kuikens, beren, eendjes, papegaaien. Mama's onder lakens, papa's zeggen kiekeboe : kraaienest naar steeds elders opdoemende eeuwigheid. III Als je land roept, is het ons dat, de oubollige werkelijkheid, felgekleurd in schelle klanken : aangemeerd bij onverstaanbaar kelende, kakelende inboorlingen, blij op je eiland aanbeland. 2 HAIKOE'S BEVROREN VIJVER Ijsveld, glazen oog. Op het orgelpunt stilte kucht droogjes een gans WINTER De maan sneeuwt stilte. Zwijgend schept de man 's morgens zijn naam voor de zon. HERINNERD GEDICHT In de gouden kast belaagd door de strak gespannen veerslak, slikt het zelfs niet van schrik. Bevrijd zoemt de tijd, het vliegwiel herhaaldelijk op zijn plaats gezet. Op glas, een spiegelscherf, krast het plots een kras en stuikt voortijds eenkantig in. Elders weet het zich wentelend een punt te vinden en laat zich lang en stil in schijn aanzien, zoals waar in hout twee jaren zich een groeitijd lieten. Vergeefs leert men later van alle onderdelen weer kapotte klokken te maken. 2. INTERLUDIA LEMMET Zilver draaiend blonk het ijl & zonk verstild de weide in. Op een steenworp gleed het heft je glad de hand uit. Wat het inhield, werd je nooit te los om te bepraten, verraadde nooit van angst zichzelf om in je vast te liggen. Was het bloed dat nu verstold de snede tekende, of is van wat verdween dit zwart de ongegronde tekening ? Je spuugde, wraf & geeft de aarde grif je schaamte toe. HONGAARS De hand vervelt, een lijn ervan vervalt per dag & wordt als nieuw hetzelfde land toegewezen : dat is het & dit al evenmin zoals een hond niet denkt één haar van het oude te hebben aangemaakt, of wat een vrouw geknield de kerk in rekbaar maakt van de verschrompelde klacht, niet meer dan dit & dat dan evenmin. Zoniet, daargelaten : bosjmék. SPIEGEL Ligt er gedegen onder het draagvlak, de blauwe soutane die de blik ophoudt & in haar ruisen laat verwijlen ligt er vereeuwigd, onbewogen toeverlaat, nu je haar indaalt, haar zijden nachtverhaal onderschrijft & kwijlt als gek van haar, de zeewaardigste herinnering haar hoofdschuddend ophaalt, uit haar diepste oogzwart toewenst, lag niet onomstootbaar daar : ontbonden weerklank nu, vervaagde vlek, van drijfwier, zeg je, loze alg. HET LEED DER LAGE LANDEN Een duimbreed telkens schuift heel wit het schip de kustlijn af & aan van Nazaré. Haar voorbeeldig getaande huid is door het blauw boven de duin zo scherp omtekend dat het afdrukbaar is, op de gekende tegels, bv., waar hetzelfde blauw dit land is ingebakken & zich onder glazuur van aanraking onthoudt. Snel, besef je, diende een vinger daar gelegd, & nu, in de strakke hals als ze lacht bij de optocht der rode bombeiros van Amarante, Portugal. WOORDBREUK (ARABISCH) Het opgespannen doek wordt grijs & zwaar van de dauw boven de pratende hoofden. Haar toegewijd reikt je hand & raakt niet haar, maar zich in onmacht rekkende het doek & van de donkerrode lucht op voorspraak van goden beducht, glijdt in je palm & breekt de druppel vocht haar toe & op haar bovenlip staat even zilver als een omkartelde wolk de dag het kussen toe. STRETTO : 'HET DAGHET...' (bwv 1066) De dag kwam aan de dag die aankwam de aangekomen dag : een bloemknop openbrak in bloei gebroken dag die kwam & hoopvol open brak & liggend daar zich- zelf in bloei verblijdde op de aangekomen dag, dacht ze, zij zichzelf & hem in bloei vergaande & verder in de dag kwam aan hun beider schreien in licht zo hard die dag aan die aangebroken dag. PATRIMONIUM Een pad op, zware wolken tegemoet, is Afrika onder een breughels hoedje moeizaam een man gevlochten. Het deugt niet maar de verf is goed tegen de regen bestand, al laat het linnen in twee gaten de wind het blazen toe van maart & spanning af van dit verworpen oppervlak. Het maakt niet uit, je neemt het mee & laat je uitgelaten hond het zeurende zingen geuren van mongita a., de blindeman die vingerdik zijn schuiloord uitgestoten, de wanden van je woonst aftast & trager dan de matste schildpad in je kelder kruipt. RIGORISME In vreze om larven die minzaam ebbehout tot zwartste nacht vermalen, wanhopig om regen die de witte twijfel voor de vraag van antwoord dient, & rillend om warmte die het geroofde ei gaaf de grauwste bek uitstoot, kokhalzend het leven aangebeden als de dood voor je aalgladde dageraadswoorden. TUNNELVISION Een mondvol spuug & bloed dat kelderkil een tel zijn kin aankleeft, glinsterend oplaait in een naaldje napolitaanse zon : felst bevochten landkaart is zijn avondmaal dat even van zijn zwart op doodsprekend bleek & dun gezaaide stoppelbaard niet scheiden wil. Ik heb geen land & bovenal, sprak hij terwijl il duce al zijn gal om vaderleed in toorn ontsteekt, bemin ik niets dat is & van wat komen zal slechts de geschiedenis. Hij cirkelt al zijn hoeken af & daalt in dolle trechters tot het brandpunt van zijn cel waar niemand hem onthalst, bevreesd omhelzen wil : het werkwoord, caro Malatesta, 'spingere' is van uzelf ontvleesd, beroofd, ontspoort. KWINTET VOOR L.V. 1. Into the rose-garden Een bal van goud rolt vurig over daken, steen & grasperk, kloosterkerk & hout dat in je tuin tot molm vergaat & voor een wolk je plek betrekt, vertrekt een trage hand het beeld voor je sluimerzoekend oog in strakke vouwen naar een hoek & geeft aan jongensjoelen, galm van droom & vogelzang het eenheidsruisen mee van rust aan zee : zo duik je gans gedwee in wat zich nu ontsluit, de gang die afgesloten toch van angst & pijn je borst tot stilstand dwong, dat de dingen die al wakend van verlangen in hun woord gevangen onuitspreekbaar waren, nu al slapend aan je zwijgen luid hun namen geven. 2. Voices Je leest het boek in afgeronde vorm : het staat er niet maar is er rond geweven. De weg terug ligt voor je uit bezaaid met kraaiepoten, hakend naar je eerste pijn : een zeemeermin heeft op dit punt haar ene staart gespleten voor een been of twee. Kopje onder, duiken maar : nodeloos dit zoeken naar een klare lens in volle zee. Aanverwanten worden op je wenken opgediept : de glimlach ter herkenning van een weggelaten woord, stilte na de eerste sneeuw, de bloem die bleek van zoveel aarde toch je ochtend met een geur bereikt. Een vogel zingt, een kind schreit, een wereld lacht je adem op & is verblijd. 3. The still point De pit hangt stil & blank, van vlees ontdaan, aan de kromming van haar steeltje & je strakke kijken naar de kerseboom in je oma's achtertuin is ademloos. Ook in het eeuwig opgewarmde kopje zwart met cichorei zie je nog wat ze zei van dode achterneven in de waterput & van de zomers toen rest niets méér dan zweet heel even op de koude steen van kindervoeten nu : blind aan tijd gebonden is het zoemen links boven van het éne diertje in de losbarstende bijenzwerm. 4. Breathing the space Het raakt je niet : het staat je aan. Het gebouwde heeft niets behouden van de verhouding der ingezetenen tot wat hen voorstond : god is dood & weerom is het kerkbezit bezeten van het niets dat zij halsstarrig hakten in zijn al, een vorm van buiten die niet binnen wou. Maar nu je van de witste zon de zwaar getrokken grens betreedt & tot je naam geslagen wordt, ontzet je warmste leden al als pingpongbal het koele, stille duister in ziet zweven, beef je even, voor je bruusk de klank invalt die hier als glas het licht aansnijdt tot waas, tot mist in aardse duisternis. Het staat er niet : je raakt het aan. 5. Nothing matters Het leven dan is onaantastbaar : dageraad, de zon komt netjes in het magnifiek geplaatste kathedraalrozet geschoven & 't monotone tikken van je naaldje ik op het je toegewezen raamluik in de zwartglazen muur breekt af, brak door & barst in polychrome schittering. De prins aan scherven stamelt in dit licht van ademnood & jij nog minder dan nooit bij het teveel aan noten : een Messiaanse melodie van merels, duif & pauwen haakt in je hang naar nacht je naam om op te staan. DAT Het geeft zichzelve & zingende prijs des ochtends als regen uit een wolk of wat een erwt kan doen. Het schuilt & schuilt : het schuilen is het ingebakken, uitgewrongen als het maar was, is. Het scheelt je dat. NAAR ZEE Het gefrunnik van je dikke duimen hecht belang aan draadjes garen. Het lappendeken van de daken dekt je kruin die kaalt, kalm toe. De weg des zomers heeft geen weet of bergt een vaag vermoeden op van implosies in een bubbelbad, de babbelzucht die in je cellen plopt & zilte geur je neus ingooit van rotte vrucht, vertoonde heilzang bleek & lauwe lijken op de rimpels van een afgeborsteld maagdenvel. Dit wedervaren stoot je stramme toren tot een teer geschelpte hindernis. C.1-7. 1. Omwonden hoofd, bevliesde hand, in ruis van roem verschanst skelet & klaaglijk in de kortste zomerwind : Uw woord verkrampt een dag & is om lichtval uitgesponnen punt, een eeuw een pop, lethargisch nu van nu & niet de zwangerschap van leven uit de dood ontdooit. Zwermt eensklaps dan haar wraak gespiegeld in Uw glas, mijn oog, haar blauw ten hoge hemel uit : het is dan donker nu heelal. 2. Het is dan donker nu heelal, nu van het hofdeel eerst beloofd een letter rest, 't verworpen ik, een ons dat voor een dag of drie in 't vaalste licht van eenheid droomt, van god die gaf & vlinders baarde. Spreidt dan van daar, Uw hoge zang & het diepst doorvoelde pleiten voor lief & land & leed ten spijt, het zwijgen, driftig zwaaiend uit de knop die prangt & splijt, over U, Uw blad, mijn zien & stervend waken niet eenzelfde, stille droom? 3. Eén-zelfde stille droom van waken uit het hoog-betwistte laaglands leed uit scheuring van éen zin in zinnen, die in 't rimpelvel van tere vrede wonden stoten, koortsen open sne'en ten woeden geven & het zoetste van gewild verkozen honingzoet van elks Voorhouts lijf & lustenbloei met van schand' & hoon & spijt het vliedend eeuwig, aardse onderwerp, donker kleuren, zich verderven, rood met dood berijmen, koud behouden tot geen kreet nog beeld kan geven. 4. Tot geen kreet nog beeld kan geven fluister ik, ontvang van hese klanken & Uw spel, Uw hel, Uw spelen & het helen, zon & rijm ontstolen appelblos, wat blinkend roze nooit vergoeden kan wat zich ontstijgt, verniet & slaperig mij verspreekt, ontzegt, & 't dwalen van uw geest in mij als daad verlaat, Uw raat & 't schijnen van Uw land ontkracht tot niemand ons nog dodend roept & noemt & zegt & dat voorwaardelijk nu nog meer dan ooit met U : Uw rijk kome, Uw wil geschiedde. 5. Uw rijk kome, Uw wil geschiedde want het mijne loopt in't knellen van mijn vastste vuist verzand tot zand ten hoop : een dorp verwaait aldus bij 't lichte zuchten van mijn laatste wil een levenslijn van haar verdaan ten eind, het slot op mijn nood, mijn dood haar lot ten spijt & in't vlieden van mijn zijn uit haar, haar warmst geboden roos staat afgetekend elke korrel van mijn liefde doods verhit, verwoord : kom vriend nu gauw, mijn ster' is heen. 6. Mijn ster was heen, Uw nacht liep uit langs open beten, van woeste baar de bede in een onverschillig land gebeten : misbaar van één nacht, een nacht & drie dat ik zo vol van U de dag verliep, haar klaarte in mijn nacht versliep & van haar wezen tot Uw vaste waren licht niet, vuur niet, lijf noch lief noch van Uw hemel d'aardse constellatie noch d'hemelse vertroosting van een blijvend aardig zijn, noch U, noch haar, noch mij, noch van ons aller lot het liefste zag & blind & donker schreidde op het donker waar mijn zwijgen zwart verloren lag. 7. Waar mijn zwijgen zwart verloren lag zal ik nog zijn & U ook mij nog mee, want zijnde is van U het woord gezegd omdat wat anders kan, zich mij ontzegt. Ik heb niet lief, mijn leed is mij te groot, ik heb geen angst, mijn lief is mij om leed verdaan, ik heb niet & niets is wat ik heb omdat ik heb & wat ik heb is niets. Genoeg nu vriend, verdwaal hierin, van hier zal hij die brak & brekend bloedde U verstaan, & Uw vast- heid wedervaren als een zucht die uit haar mond mijn mond zo mondelings bezoekt, betracht, veracht & vromelijk bemint. AAN K. Je was de hof waar ik bij dag kon wijken. Bij d'eerste straal van 't dagelijks ontwaken, Week dagelijks mijn nacht in plooien, waar Zopas je lieve lijf van goede nacht mijn leed Ontgleed & wakker mij in 't zachte laken liet, Jouw dag ter ere & haar, die 't al wil kleuren, Zij, ons zijden Lot, een kind van godenkeure, Met kleuren van een dag die uit de wildste nacht Van prang tot praal & schittering ontsprong Van bloem & struik & perk & boom & kiezelpad Tot waar ik vlinders zie ontpopt uit wat ik had : Je hofje, juffrouw, waar mijn dag kon wijken. OCHTENDHANDELING * Je hand deelt je haar in ademzuchten vijfmaal op : zo hang je diep aan haar, haar zien de zee, jouw oog het parelpunt waar 't zilver zich op 't zwart af- stoot & komt & sneller klimt dan jij nog dalen kan; zo reik je nog, lijk je tegen stroom & water in je lijn van hier tot nu te willen rekken, wil je haar andermaal je rechtste denken, je lichtste ommekeer, je lijf als dauw in haar verschenken. * 't Is zeker, datter wel een traentjen uyt het oogh moet In 't heugen waer men was, in 't voelen wat men is.' Constanter. Rad van Onrust. DE CONSOLATIONE Verjaagt het aangebrachte niet - de daagse vloed die op je strand dezelfde slag in bloedverwante waaiers op het onverschil van wind & tong zo zalvend legt dat klank van mensenkind & ouderpaar in lussen struikelt, valt & meegaand op je huilen kletst, - verjaagt niet het aangebrachte, de inbreng der zeeën in het breekbeeld alg, zwaar gegronde steen, de wildst bereden stilte ? 'T GELATENE * Je kijkt haar aan & zie je niet het zich verstrijken al (voor het haar aanbrak), al het gezegde al in wat je zei dat niet was of wat je niet zei dat je was & hoe verkleumd ? Je kijkt haar aan & zie je niet het zich onthopen al (voor het haar aanbrak), al het geziene al wat je te zien stond dat er was of wat je niet zag dat er is & hoe verdaan (voor het haar aanbrak)? * 'When I died last, and deare, I dye' Donne. The Legacie. BREAKE OF DAY Het daagt, je krimpt & wenst haar heen. Het snijdt haar land in repen breed & goud gelijk, het smeert je kramp tot heetste gloed & slaat van 't doodgewaande punt dit scherfje sprekend-dode waan : 'Ga, verspreek in haar gerichtte stralen al je leugens rond het leed & kleed haar lachend uit & lik je vreugde aan haar tranen op & geef haar grim je duister-haat. Ga, maar tooi niet met je rode schijn mijn glijdend uur in deze schrijn. 't Is waar, 't is dag, maar ga & laat mijn dood hier ongezien gedijen : zo zal mijn schim haar dag nog wezenlijk verblijden.'. CONCETTO AUG. 17 Ronding, haaks op 't dalen, node, van een grijs van min gescheiden stemmenhand. Witst van vaal onthechtte, hoogste zon op een dag die moeizaam regen draagt. Klank die uitgedragen eisen stelt aan een roos door rif doorkliefde kei. & rood dooraderd vel op 't holle been & dromers' tinteling in ruis van zeeën & onverschil van licht in spraak van velen & als vanouds opnieuw aaneengeklonken diep doordringend drogvertoon. ECHO * Een wolk is als haar tong geheven, wordt stuitend als haar taal, de beek in vliedend vrije val van hoog verheven reikpunt, tegenarms in beeld gezet, tot 't onderhandse graaidiep, het net geboende, dwaas doorstoken spiegelvlak, door wind van plaats vertekend, om het zijnde gekeerd, van kim ontworteld : hakt zo niet in geen tijd de dag je leed, je steeds verschrikte pastorale klacht, je grijs gesmoorde zucht om duurzaamheid, je vastgeketend triest uitlandig zijn, van tel tot tel, van snik tot lettergreep, dat jij in wind & zij in jou verdwijnt ? * 'Vana figlia de l'aere e de la lingua' Marino. ELEGIE Het rillen dat je dacht om haar is net zo weg & wezenlijk als zij. Ze heeft je haar regen gelaten, & wind in een cirkeltje brand in je jas & de komende loomheid van herfst op het gras, op je blad, in een glas. De dag geeft al haar daden in herinnering & zo het voetstaps gaat van 't midden weg, verdwijnt er niets dan angst om niets dat in je reiken ligt, komt je alles zo vertrouwd ter oor , dat het je alsmaar onverwachter wordt, zo ver dat je haar ziet, met je dag zo ultiem rond haar schouders nu geslagen, hier. SCHEEPSPRAAT Draai traag toch, stuiter niet & vloei (de zeppelin hangt hoog in zomers blauw & maalt je graden grijs & haakt & jaagt je schrikkeblik op eik & schilferwilg dezelfde wolken in) : vertel je niet vandaag, vertel je niet van haar ? O, (een toon ver- slaat een open noot, vervloeit een slag, duikt op & van je hoofd keert elke klank weer heen & weer dezelfde wolken in) kijk! (Kijk). MISEGYNIE * Je vindt haar dagelijks teniet gedaan : een hoeksteen, liggend, die zijn rechte beeld aan d'afgehakte voeg ontleent, ruwbouw, rood van braam dat in je hand haar land hertekent, stof in stilte dalend na het vuur dat groeven openbrak, ontginning van een diep bedolven sier- lijk zwaaien in verbleekte ochtendzon, klank van haar gefluisterd houden van gekluisterd aan je schorre vreugd, de vrucht die haar voorgoed aan uur & dag verklinkt. Je vindt haar stervend in je dag verweven & al je zien verkrampt je botte oog om haar, de lach die uit haar boudste jurken barst. * 'Oui, j'ai conçu pour elle une effroyable haine.' Molière VERZACHTTE ZEDEN (BWV.1OO1) Je huid is om haar afgewonden, hangt in windels met je toon bedrukt half- stok de hemel te bestoken. Je treurt niet meer, een ader klopt de maat, het is je haar dat zwepend in je naakte nek de kaalste melodie aanstrijkt, in strakke striemen echo's van haar vingerzetting trekt. AUBADE (NIET EEN) Een spelepopje zit ze voltigerend aan je tafel, niet aan tafel nu & lillend lag ze, sist ze niet de afgrond in van je gespleten bed, & hing ze op de schrilste kiestoon niet van 't netwerk aan je lijn & wrijft ze bij je lijden 's ochtends niet haar leed : onder 't mom van hier te zijn of niet ? Niet een stad is er & geen mens op straat in wiens oog haar lach zich met haar haat niet stekeblind voor jou zo vast vergrendelde dat jij haar niet meer bent. Ze belt je op : hoe zit dat nou voor morgen met ons Lot ? SPIEGELS BREKEN, DROMEN STAAN * Het nachtzwart staat al klaar & van je kermen afgekeerd. Je droomt je kille hoop alweer in onverhoedse, felle schichten van haar verste oog teniet. De straat klapt in haar klauwen toe & langs je stoppelland spellen garamonden & galjarden in 't scherp getrokken twijgenweb haar onverbloemde naam nooit uit. De wind verwaait je laatste keizersdag, de nacht smeert meters foelie loodzwaar grijnzend aangezicht op alle ramen uit. Ze speelt nog mee : het is je einde niet, ze lacht haar lot & elke boeman uit, maar in geen oog staat nog je ster te schijnen. * 'It was a theame For reason, much too strong for phantasie' Donne. DAGERAAD 'D' agusto si vi do trenta castella in una valle d'alpe montanina, che non vi possa vento di marina, per istar sani e chiari come stella.' Folgore da San Gimignano. 'Danck hebbe die mij gaf mijn selven te vermannen' Constanter. 'hodos ano kato mia kai houtei' Heracleitos. 'emoi men oun, o file, katheirasthai anagkei' Plato. 'L' aurore sur le front du jour Seme l' azur, l' or, et l' yvoire, Et le Soleil, lassé de boire, Commence son oblique tour.' De Viau. I Je weet hoezeer de overslag, het bij 't uit nachten uitslaan van wat was of zij ontstane, het bij je omslaan tot de dag, het bij je opstaan ingesloten, het aan je hemdsboord toegeknoopte, 't rond je glazen fijn gewoven web in 't zicht van al je aangewezen zijn, je taak, je noeste haken naar een daad, in 't licht van elke lage, tijdig op- gedwongen, volgebaarde zon, van schijn tot vale schemering vergaat, & hoe 't zilver wil tot zwart verteren & 't goud door woord tot spraak verzweren & 't inslaand nu tot nooit wil overslaan. II Zo 't inslaand nu tot nooit dra overgaat is niemand ooit al 't aardse anders toegedaan. Geen raad is met de dag vertrouwd, geen staat van waken houdt met nacht nog kennis aan. Het laat zich bij geen licht nog zien, dit wicht, dat zuur ten langsten leste afgestane zoet, dit zoetste proeven van het drijven zonder duur of zicht, dat eindig eenzaam zijn, dit dralen zonder spoed & niemand wil wat de wens in 't maken zift & in 't gemaakte rest van wil tot daad slechts d' om lust tot indrang aangegrepen, in zon gerijpte, aders ingedrongen toegift & ieder is het vast al eender aangemaand & elke schaduw is op 't zelfde licht een streep. III Gedenk een schaduw als op 't zelfde licht een lijn. Gedenk het uitgebeeld : de afstand van een kras weerspiegeld tot een kras wordt zo te zijn gedacht, geacht als spiegelteken van wat was, dat 't al wordt doorgehaald van glas tot glas tot kluwen van de steen in 't levend oog & in 't beleefde beeld van ooit een stenen scherf het leven warrig van een dood het teken erft. (Je gunde je scherend aan de kras geen oog : classificatie der zinnen in een verdaagd betoog. Bril, hand, kraan, mond, water, tand & vlees, een klad van bloed in 't spoelen & je stem wat hees die zomer riep, je kind een gele vlinder wees tot slag op slag uit 't rozig zicht de pijn verrees. IV Bekijk 't verhangen van een doek op slag het rood bewerken. Bekijk je voet door vloer & nood verkleuren, door aard' tot zavel toe & van de hemel op het enig vluchtspoor na de hele, blauwe hel je trilhaar op, je kijkgat in, je wenteltoren rond & om & op je bevend, bleke rimpelvel van 't laatste onbevlekte dromenspel het wankelende evenwicht verstoren komt & kom dan maar je taal & tong uitstorten in de brakke bak van deze brave morgen). Enigszins verward hoe 't leven zo vertekend om je oor verlegen rond je beeld haar benen klemt & van je strakke zicht op haar het glijden eist & van je ijs het hoogste punt verkend. V Ijs & van je eisen 't ijlste wel bekend versmelten tot de drup die trillend aan het blad de populier beweegt die staats te zweven staat, te hijsen aan de nevel & bekijk de eik die stram van 't wereldse verstrooid, verknoest wil praalziek frunnikken, nukkig aan de zijden zoom van 't maagdenkleed ter dood wel rukken wil. Het is stil, de glans van 't eerste goud verzilt. Een spin draait uit je raam haar draad. Je daad begint als raad een gift jou op te dagen. AUBADE (NOG EEN) September nu, je stond al op & zie : haar oog, haar lip, haar tongval blauw, haar dij die in je handpalm brandt, gerasterd in je duurste lijst gekast, haar fluistergoud en bleke lokken, haar kilste lik in diep geheim, in duisterheden die je nooit bevroeden wou, verstrengeld met van haar beven nu de strakste tres, de draad die op je hoofd haar naam & in haar honger nog je zinnen striemend trekt. & is het nu verwonderlijk, die echo van de dag dat op je avond uitgesproken angst je hoorbaar wordt, je hoorbaar wordt hoe danig zij schokt & schurend van haar voetstuk draait, hoe dof haar nieuwste klank je spiegel uit in zware regenval verstomt ? Haar lonken heeft je leed vannacht weerom tot letteras op grijze lucht vergrauwd. SERENADE Haar lonken heeft je leed vandaag weerom als letteras op ontij's dreigen afgedaan : onzichtbaar wordt in diafaan verleden wat onkenbaar in je donker was gehamerd, onaantastbaar voor je zinloos graaien, zwart geslagen op je dolen buitenswegs in 't zwartste van 't onzeker elke dag voor eeuwig leek & leeg verloren lag. Want zij & elk verlangen haar gericht ontstaan in dromen zonder klank of zicht, & is zij daar of hier of staat zij niet & is je taal de hare of verstaat zij niet in 't klare licht hoe jij haar zegt & ziet je nacht is niet haar leed, haar vreugde niet je lied. ONTBIJT Ontwaak. Aanschouw die tot je spreekt & zwaaiend als weleer haar groet je nacht toekeert & lachend hoe ze leek haar lach van nu beheert. Een huis hangt onbeschenen vast in aangehaalde nacht geklemd. Het is een boek van zand & glas, afkerig in zijn kast gebonden. Het is ook steeds een kei erbij in diepe regenglans geborgen & verderop de natte vinger in de wolken van de kathedraal die onvoltooid aanwezig is. Het is je tere blik die binnen zweeft in bellen, stuitert, stoot & doelloos op het raamglas breekt tot schim op schaduw meermaals openbarst, de haveloze horde lost die trouw, eerbiedig tot haar dalen, bij haar rust & tot haar nakend nedertreden waakt & uren splijt tot tijd die niemand hen benijdt. Het is het starre beeld dat haaks op je scherm van 's avonds nog bevroren staat, de ruis die 's nachts in zachte lijnen rond haar adem hing, & voor het brak begon je mond nog net een letter van haar slaap in diepe halen uit te spinnen opdat je haar aan tafel uitgedroomd in al haar pracht van lijf & leden van stoel tot stoel beminnen kon : heel kies maar laks & uitgediend tot in je verste post, in taal die zichtbaar al je stilte dronk. Zwijg dan dus & kijk & eet aspic van haar verleden zijn in porties voor je afgemeten, vermaal het vlees in koudvuur van je droom vervat dat zo vergeefs je stergewelf uitviel & in haar zoetste dag afwezig ligt. 11 MANIEREN OM HERACLITUS TE LEZEN 84b Vertrekken in het eensklaps toegeslagen donker tonen wat het toont aan hem die net een vorm van weg ontwaarde, op het punt stond te dalen, zich bij de dalenden op te houden & zie : de weg trok eensklaps een lijn die net aan hem toonde wat het hem zoal tonen kan in het donker zo plots aangekomen. Vaker wordt het rad aanzien dan de ruimte, stilstaand achter het draaiende karrewiel : de inspanning is voor dezelfden zich inspannen & aangevoerd worden. 84a Het span trekt de kar. Op de top briesen paarden. De kar duwt het span. 18 Ademgesel, liefdeshand, die minnestrelend schor verstokte kelen openspert & kil het diepst geborgen, droge zijn op uitgelijnde lippen dwingt. Tomeloos brandende halm, die krult op het veld voor je ogen net voor het dooft in je hoofd. Droom, waarin je lijf van haar beroofd onder lakens graait & gruwt van wat geen hand kan raken. Taal, die in de kaal herschapen nacht klinkt alsof het je een troost was : als je het onverhoopte niet hoopt, zal je niet vinden wat je onvindbaar was & ongenaakbaar is. 125 Dat je hijgend, buiten adem haast, koppig naast je kromhoorn blaast, als viel er nergens van maar telkens weer op het zalvend gladde nachtsatijn, waarin je huid verhit, je arm verkrampt, een mespunt asse ter verstrooiing uitgezaaid in wat het schrijnend maken wil : de loomste, trage zilverdwarreling geurend naar een vel verrukking uit het ongesneden album van de doodshoofdvlinder die in vlekken zwart bederf zijn tweede jaartal viert. Dat je zwijgzaam wind verzwelgend alle ramen opendraait, je wagen van zijn vaart ontkoppelt, je lampen dooft & in de vlakte glijdt totdat je het geweten hebt. Hartsversterkend, zielsverjongend & in prijs verlaagd, schift, onaangeroerd, ook de meestgegeerde cocktail. 48 Duidt nu op de vingertop in cellofaan gedrukt met rode pen het nulpunt aan waar plaats & tijd precies een oogwenk lang & voor 't blijken der wetmatigheid ruimschoots, denk je, gebrand op begoocheld applaus, vol- doende in evenwicht zijn, stoot dan fors door & spreekt tot het ontzette halfrond : beoogt nu met name het leven, bewerkt dan de dood. 124 Evenzeer het verste paard dravend op een heuvelrug als je hand voor de zon. Evenzeer een honingkoek als het knauwen in je maag van zure, droge wijn. Evenzeer het rotte vlees walmend rond een dode ziel als bloeiend meisjeshaar. Evenzeer trompetgeschal als het klinken van hun pas afgemeten in de lege hal. Minder een verzwegen wens maar uitgesproken meer als smeulende herinnering raakt je dra de lentebries voor je laatste wending rond de immer gladde steen : juist zoals het lichaam, in willekeur, ligt uitgestrooid de mooiste ordening. 110 Niet meer dan dat een aangeschoten leeuwerik zich voor de helft door de snellere kogel weggevreten weet & uit de lucht laat vallen : het onbedachte neem je onafwendbaar waar & waar ook je het geurende vuil in dicht begroeide plooien onder het plaveisel murwen wil, steeds flinterdun & vlijmscherp snedig wentelend blijft het vlak zo vrij van jou als lucht van hem die net nog tergend hoger zong. Slik dan maar, alsof je zeggen wou : het is voor mensen niet zo goed dat alles wordt zoals zij wensen. 60/32 Een trede lager is het beeld, versluierd in de geur van zachte zeep en lijf, het glijden over het chroom van de leuning, de opwaarts zwevend neergelaten slanke hand een oogwenk hangende, verscherpt door een plotse inval van licht op de leuning van het soort dat zich niet noemen laat of van de god de naam wil dragen, stokt & dreigt dan je in je val, het in je haast ternauwernood de neus aantippen van de treden die je liever overslaat, te vellen, je als een kattejong ter dood op de blauw gevlamde steen te laten smakken van de inkomhal, waar het zich balde & wonderlijk tot de woorden ontplooide : de weg omhoog, omlaag, is één & dezelfde 47 Met het ene roze handje in de heup & het andere hoog alsof er in de haar omringende ruimte een belangwekkende scheidslijn viel waar te nemen, in een niet aflatende poging om het halsstarrig fluitende herdertje van zijn berg neder te laten dalen, draait, op vastgestelde stonden, in schokjes de herderin weg & weg van de noodzaak haar beweging te moeten aanzien. De herdershond, met ere arm aan pootjes & zichtbaar gammel op zijn sokkel blijft als een hond geolied glijdend rondjes rond haar doen. Van het vlugge oordeel over de gewichtigste zaken, verlos ons heer. 37/38/122 Ismaël, die de tweespalt in het glas benoemde dat brak, & Dido met een knal verrezen verzweeg het verraad niet & het bloeden in het vuur van de Mohikaan op het braakland & wat er je nog gebeuren kon, kan onder het oranje zeil, de tent in de tuin onder een met rode huid & klauwteen afgedwongen zomerzon, de lezing & de feiten, het wachten op het klamme blauw onder het zich afpulkende, nog steeds van chloor doordrenkte jongemeisjesbikinislipje, het geurende geknetter in de lucht van ronderenners & het graaien in aarde van de bespotte buren naar jonge asperges, de kippen in het stof, de varkens in de modder & Thales, die, naar het schijnt, als eerste de sterrekunde beoefende : het naderen U toegedicht. 26 In laaiend vuur verworpen neemt een blad van lucht, vuur & aarde alle kleuren in zich op & zweeft. Het krult & weegt zich krullend af. De roos verbleekt. Wit gebald wil een hand als van dode zijde de voelhoorn raken : van stof tot as houdt in de nacht een mens zich van zicht beroofd verbonden met het licht. PERDIX DAEDALI KRETA Argumentum : Daedalus interea Creten longumque perosus ----------- exilium tactusque loci natalis amore clausus erat pelago (Ovid. M. VIII). I. Een klokketoren trekt zich aan afwezig brons de hoogte in. De windhaan kriept het duren uit & slaakt de tijd die aangezet tot riemen over al je leden heen ligt opgespannen. Het landschap in haar schijn komt hedennacht de uitgezette lijnen niet te boven. De minotaur is dolende, zijn roep waait dof verloren nu want hier wordt ingewijd het laatste werk van eertijds vuur op koude steen : nieuwste openbaring van de grondslag van je wake in vergeelde ochtendbladen. II. Haar zang ligt in die steen begraven : de melopee die dalend tot haar stille pit, voldragen uit haar vilten nacht je kille land ingleed, brak bevend op je zwijgen af, verglaasde bij je adem, viel in scherven uit wat eens een blauwdruk leek maar samentrok tot van dit oord de guurste donderkop. Op 's konings vraag werd alles vlak hertekend & wat hem het meest belaagde (& je daarom dierbaar werd), werd kern van een bestel dat niemand nog bij dag doorgronden zou, een monument van muren dat de tijd om haar in rechte lijn ontdook. III. Want waar je dolend tussen prisma's herfstzon tegen meubilair aanliep & nagelstof verdiept in boenwas trof & pijltjes blond dat rond een glas haar schijn van daar te zijn in glans die uit je handen gleed, ontbond, ontstond in stilte 's nachts de brand & waar je 't razen hoorde van de lome reus die in de wilgen bladgroen woest van takken stroopte & toen je licht zijn loden lijf in zee verzonk, hing van het raken aan haar lichaams wassen ledenpop je opgespalkte huid in scheurtjes marmerroos te barsten. IV. Minos brult & brengt zijn val in kaart, hij stoot zich lachend het bloed in cirkels uit : zijn hoon is wet, zijn stank het deken op je bed. Je roept je zoon ('Mijn zoon') : 'haar wrok lokt dood in elke toonaard aan'. De hand die om de laatste veer een touwtje snoert, trilt : verraadt dat niets in hem je nog tot haar wil brengen. Hij speelt haar spot & blaast je kunsten van zich heen in zee : de zon staat hoog & golven halen adem in het ritme van je woord. De minotaur is dood : het is je tijd. VAL Argumentum : tabuerant cerae : nudos quatit ille lacertos, ------------ remigioque carens non ullas percipit auras, oraque caerulea patrium clamantia nomen experiuntur aqua, quae nomen traxit ab illo (ibid.). Je bent al weg van hem. Een eiland ligt met honingraat van straten ver beneden jou in zee geplakt. De mensheid faalt. Cirkels kan je met een passer trekken. Goden lachen niet. Je armen klikken in een raderwerk van lucht, je vingertoppen gloeien & je borstkast hijgt in spitse bogen hogerop. De weg valt weg. Je bent van hout & elke nerf brandt uit. Een arm zwaait naakt, je mond verstijft, het masker schuift & trekt zijn naam in brede strepen blauw uit het scheurende net van je longen. ARTES Argumentum : 'Icare' dicebat : pennas aspexit in undis ------------ devovitque suas artes corpusque sepulcro condidit, et tellus a nomine dicta sepulti (ibid.). I. Aldus (& onaflatend wordt je naam in verse graven bijgezet) heeft het je steeds bestaan : een lijn vraagt in je leven om bevestiging, je draait een krul om waarheid, snoert de angst in kelen aan je grimas, zucht gelaten tekens die de aanzet tot een oorsprong geven & bij het krieken van de beste dag verschijnt de peuterhand die prutst & kneed tot heel je uitgesproken plan een woord te ver als boekrol plots in schrijnen onaantastbaar ligt, verdwijnt. Een solferkopje flitst onooglijk in je brein, het zout rolt op je stijf geklopte wang. II. Het was verhevenheid die losgewaaid op marmer rustte : een waas in cirkelvorm, dor gras of als het binnen was, de geur van hondehaar indrukbaar tot een plaatje harde draad. Het was de vloed van al 't vervlogene die je tweemaal daags een drijfveer was & jij die haar getrouw het brood doormidden brak & heersers met de kruimels voedde. Maar niemand had je oog voor hoe een bloem de aarde staande houdt & als je sprak, ontbrak aan je betoog de eerste steen die op haar kust verloren lag. Het was het bloed dat uit zijn kop viel toen, zijn stem gestild. Hij zou je zoon niet zijn, het werd je naam. AVIS Argumentum : Hunc miseri tumulo ponentem corpora nati ------------ garrula limoso prospexit ab elice perdix et plausit pennis testataque gaudia cantu est (ibid.). Heropen hoe het niemand is & daal in cirkels af, stoot door het dorre vel & grijp naar wat twee vlinders van hun vlucht op aarde laten. Bol dan driemaal de zeven jaren in een oogwenk op, verlaat het opgedeelde hok & zie : de zon staat laag, een man breekt zwijgend straten op, een pooier zoekt zijn aas & naar hun vaders stuiken vele zonen van het stadsbeeld af. Het ruist, het raast & meeuwen krijsen. Een Panamees vaart uit met in zijn buik bevroren hoongelach van honderden patrijzen. 101 EIGENTIJDSE AANROEPINGEN VAN DE MUZE OCHTENDLIJK Verheerlijking, onaangeroerd. Niets bewegen tot een laag straaltje zon je stem openbreekt, glasvlezig roos je tere zucht uit nachtblauw stulpt. Dat ik je aanleun dan, eet van je adem, zout van je hals lik & wellicht de dag lang met die klemvaste dreun van me jij roep, je naam? Dat ik je neem tot je trilt als een riet in de wind, tot je zweeft op dit bed van beton, tot je breekt in de ijskoude nacht van mijn land? Dat alles vergaat? Niets dan je waarheid bestaat. HOMERISCH Nu niet, o harpklankomkranste, niet nu, al stokt nu dra al je adem in baaien van beeldende stilte, verzwijg nog, o vangst uit het blauw van mijn nacht, je uitbraak in koude, hou je klemgreep stil die op mijn klamme leden ligt, kijk niet nu je nog zingt & ik zink in de zee van je toonaard, nu ik dwarrelend daal tot je kolkende coda mij strikt & verpulvert, verstrooit in de eeuwige ruis van je haar. Snaar die ik raak : kom op verhaal. LACONIEK Leef je dagje, zweveteefje, want ik kleef je lieve lijfje aan als aarde 's nachts aan lucht. Drink je wijntje, fuivetrijntje want ik zwelg je klanken tot het barst & knarst van stille pijn. Lik je ijsje, snoepedoosje, want ik kauw je zinnen tot het bloedt uit bleke blaadjes roos. Lach je lachje, linkepinkje, want ik maak je sprookjes groot & hol vol droeve gorgeling. Moraal : Strijk je kopje, zwavelstokje, want ik ben vuur waar jij niet bent, & water waar je zwemt. xxx ZO Zo zag ik je die tijd onaangedaan, & bleef je zwijgend op een afstand staan : Je vrat, herkauwde, spuugde mij je tere schoonheid in het aangezicht, je pulkte het desnoods wel vluggetjes uit vers verreden vogellijken, hielp doodgemoederd nog een kalfje van de aardbol af of kerfde vergenoegd in moegetergde breinen tot hun land in dichtersnood de dikke stromen van de waanzin bloedde. Zo viel die zomer dan het licht in vrije val je rode jurkje door, zo krulde toen je tong rond elke spreuk, dat ik je rosse haren bij de wortel rukken moest & al blaast nu steeds nog mijn adem zacht, in kilte onbekwaam, je heetste plekjes aan : zo stil valt sneeuw nu ik je purper klem & murw in mijn hand & koud omdat je zo vanzelfsprekend weer, mevrouw, van doodgedroogde rozen houdt. WEZENLOOS (valentijn-treintje voor a.s.) Ik zag je alsnog wezenloos de trein opkomen, een bleke vlek die zich tot licht in mij verdiepte, geborgen glans in stilstand even, verbetenheid waarmee je lachend dan je kap afgooide & in het raam niet echt bij mij wou wezen : o spiegelaberraties in vergulde morgenstonden, o traan die van het landschap uit je oogdiep gleed, ach tederheid waarmee je adem's droeve zuchten een stukje lucht van mij vergrijzen deed. Ik zie je alsnog wezenloos de trein opkomen : je knijpt je billen tot het zitje kraakt & raakt mij groetend over hem niet uitgepraat. Het landschap schuift mij traag terzijde : ik hou je net nog in de gaten & al dwarrel ik in snippers stuk ter aarde : een lettergreepje liefde heeft je lip nog trillend aangeraakt nu ik als wezenloos je treintje verderrijden laat. PERISTALTISCH Draai je listen bol in mij, vernuftige, dans mij, als ik snak & grimmig naar je hak, je fraaiste zijden spinsels voor, lucht je jurkje van bezweet gedroomde draden in het briesje dat ik tollend om je maak : drijf je lijf van louter licht dan diep in mij, schrijf mij brandend uit in steen & rust tot ik je kus & koeltjes weer in leven lees. MARITIEM Omdat je toen toch zo doordacht het kleine meisje speelde & elkeen die naar je lachtte vol ontzetting na één nacht nooit meer uit zijn woorden kwam; omdat de giechel mij beviel waarmee je om het leven gruwde & elke waarheid die ik sprak je even kostbaar was als het ivoor dat in je mond vergeelde; omdat er verte in je ogen stond & schoonheid zich die tijd met jou had aangekleed : kom & berg nu blozend maar je sterren in hun kastje gooi onachtzaam al je linnen aan de haak, pulk het strakke koordje rond je haardot los, snoer je leegte rond het mastje dat ik maak. CORRIGEREND Ik was er net & jij niet meer, je speelde zon & mij & heel voornaam versnapering (een droge krakeling) bij bach & ongezoete thee. Jij was er net & ik niet meer, ik liet je lijf in lange banen rond mijn aarde zweven, hield je pracht aan duizend sterren voor. Ik? Jij? Bach? Pracht? Waar ik jou wil is niets zo netjes, heeft geen ziel nog aardse pret. RECALCITRANT Je daverde je diepste tonen door. Niets was ik : je dacht mij ooit een ochtend te beloven, gunst die ik in jou gegrond als bloei beleven kon. Geen tong die zich roerde. Ach, kom, de teerste ondergang die ooit een lijn beging, hoe ik je naaldhak op, je nylons in & uit je volle boezem op je antwoord stuitte : spinragfijn tot gift verdraaide lichtval in een gitzwart oog dat niets van mij ontving. AMBACHTELIJK Ik hield de wereld in een boog van staal om jou gespannen. Het duurde niet lang of ik nam geschuifel waar : een veteraan viel snuivend met zijn stok het bouwwerk aan. Ik liet je naam in zware letters staan : de regen trok de muur in strepen krom & bij het vallen van een halve o, kwam ei zo na het baby-zoontje van de bakker om. Ik had je lijf in liedjes rustig lief : buurvrouw kaat, helaas, bestierf het gauw maar buurman frank, die eet zijn vleesje rauw & draait hard house of soms led zeppelin. Er rest mij niets dan je geslachtelijk tot mij te nemen, & in de smidse van mijn nacht je vuur te stoken tot dit oude ledikant, van ons ontdaan, in elke hechting zucht van passie, wanhoop & verbittering. VERGEEFS Je had jezelf in mij ten top gedreven : ik bengelde bang als het pantoffeltje dat nu & dan je grote teen afgleed & op het kille marmer plofte. Ik zou van glimmend zilver voor je zijn : je zei dat al wat edel je was oorlel nooit dusdanig had geirriteerd. Ik zweeg, maar zag geen heil in wat je mij verzweeg. Ik zou als lucht onzichtbaar voor je zijn : in kroegen zagen velen hoe het naadje van je slip voor hen je modekleed afdeed als vod die jou wel dragen kon. Ik heb mijzelf bij jou de bons gegeven : ik meet je maten vurig bij een ander af & al het goud in je gaatjes laat me koud als dit & elk hardleers verlangen jou. ARABISCH Het opgespannen doek wordt grijs & zwaar van de dauw boven onze pratende hoofden. Jou toegewijd reikt mijn hand & raakt niet jou, maar zich in onmacht rekkende het doek & van de donkerrode lucht, op voorspraak van goden beducht, glijdt in mijn palm & breekt de druppel vocht jou toe & op je bovenlip staat even zilver als een omkartelde wolk de dag het kussen toe. KATHAARS Ik zocht de bloem die in jou cirkel brandde (haar naam is uit elk boek geschrapt). Een tempel had je niet ; je bleef soms even in profiel op natbestoomde ramen staan. Je bent allicht sinds lang in walm & kreten opgegaan & wat een kerksteen ademt van de treurnis om je dood, heeft niets van het afgrijzen dat in steden stilte zoekt, een plaats om waar te zijn. Liefde is het niet & waarheid evenmin, maar als jouw blik, mijn liefste dartel erzats-ding, zo godverlaten geil van opgehoopt verlangen op mijn leegte stuit & ik barbaars gemeen alweer haar wezen diep in jou bemin, dan weet ik dat ik snikkend sterven zal & onvoldaan door het gebrek aan geweld, de tederheid, waardoor je nu zo stilletjes & rillend aan het gillen slaat. AFWEZIG Ik hou niet van je, ruik je haren, voel je huid de hele dag, dus hou vannacht je benen stil, je mondje dicht, terwijl ik graaf & schraap & ril. Ik ben nog nooit zo niet verliefd geweest als nu op jou, maar nu je naam nog zwart geblokt mijn kop naar jou vertekend heeft, nu duizel ik & fluister : ontreddering om haar, afwezigheid bij jou. MOMENTEEL Niet eens beweegt je hand : het boek ligt als gegoten sinds jaren open op dit blad. Het linkerkinderwagenwieltje waar een slag aan zat, heeft zich voor twee maanden in het voetpad aan je voet plots stuikend klem gereden : des moeders vloek klonk simultaan met mijn geslaakte zucht & brak in de wolken boven mij een regen aan van weken. Dag na dag & uur na uur zag ik in je blik seconden afgemeten staan die het moment millenia verdaagden waarop ik je het woord kon vragen. Niet eens je hand bewoog. ITALIAANS Unheimliche, van wrok verkrampte teef, misnoegde enkelinge, van elke zin onterfde, hoogbejaarde slet, jij, die van je knekelhuis de grond verspeelde & mekkert nu, je lot bejammert, jij, die nu je veer is afgewonden naar je doden lonkt met open mond & pruilt omdat je bij de gratie leven moet van opgeklopt verbeeld verlangen, vlees dat rot je lijf bespot : komt nader, schatje, kom & dans voor mij, mijn byzantijntje, draai je oude botten lustig in een farandole, con zelo, toe maar : languente, dolce, mesto, patetico, piu mosso, irato, tempestoso, slentando, poco a poco meno sentito, secco, senz' espressione, morte. SIKKEMEURIG Het was wellicht een ouderwets mij aangedaan visioen dat jouw onaardsheid in mij nederdalen liet : een kleine hapering in hoe de hemel ons historisch van haar blauwe stilstand houdt, een dunne plot verzonnen door godweetwelke hoog-geprezen god, & dan natuurlijk het gebruikelijke gehaspel met het licht, een flitsend beeld van hoe je lokkend voor me ligt & sensuele stemmetjes voor niemand anders dan mijn uitverkoren ik. Het is wellicht niets nieuws dat nu mijn hand haar dijen streelt & in haar mond een wereld aan het draaien gaat, een klank op breken staat waarvoor ik nooit de tekens vinden zal, het zal wellicht weer niets betekend hebben hoe ik brand in haar & hak naar jou & haar mijn zesde hemel geef & brullend als een claus, noblesse oblige, nu even hang in haar, even eeuwig in je haar. Niets is het wellicht dat ik je mis. RELIGIEUS Er is geen tijd & niets staat ons te wachten. Er is geen bed waarop mijn nacht geschreven staat, maar dagelijks is je schoonheid krijtend op mijn zwartgeblakerd land een toverzang : geborgen klank van zilversnaren, handen, dansend, die mijn talen breken, klakkeloos van liefde spreken, alsof geen wervelstorm ons in die oogwenk ooit nog raken kon. Er is geen tijd & niets staat mij te wachten. WITTGENSTEINS Verdwijn ik niet als jij mij ziet? Bloedt mijn oog niet in een lege wereld uit, smelt mijn hand niet kleverig je polsen langs, als jij mij roept, mij raakt? Ik sta, ommuurd als jij door eender traliewerk, & geef je slaafs bevelen die ik spartaans van jou ontvang : spreek niet, zeg niet hoe ik jou, jij mij de dood instoot. Verdwijn ik niet nu jij mij ziet? INGEDUT Ik, nu ik staar : de wereld draait mij los van jou & bij god verdomd in gebreke. Het licht puft muf gordijnen door, de dag hoeft niet zonodig. Baaldag. Jij, nu je slaapt : de wereld is je glad ontgaan, nergens aan je lijf is iets mislukt. Totdat je lacht in je droom, natuurlijk. THERAPEUTISCH Slaap mooi, slaap nu, slaap niet. Verhef je fijnst besnaarde gil tot in je spiegel krolse poezen elke stilstand woest verdoezelen. Breek dan, in je dag die sterft, mijn boerse woorden aan, ontdubbel mij tot ik die aan je voeten geuren lik van hoe je heilig bijna bij mij lag, niet bij mij ligt, tot mij verworden zal. Omarm mijn schaduw in je diepste nacht, lees mij tot ik dronken dans & schenk je glas dat zingt nog éénmaal vol van mij & drink & droom, droom niet, droom zacht. BELEEFD Vergelijk mij musicerend in uw kille kelders niet met hem wiens aanschijn ik bij u verwek. Omschrijf mij niet, verspreek geen naam aan mij, verzwijg mij, nu ik plakken vochtig pleister van uw muren zing, hoe ik sprekend op hem lijk, hem evenaar, zijn stem herhaal, zijn vingerzetting slaafs dezelfde naakte steen van u inkras. Hou mij, nu ik stil, in spanning haast, de rotte treden van uw trap bestijgen wil, geen spoken voor uit uw herinnering. Verkerkelijk mij niet, hoe heilig ook mijn hijgen in uw oor weerklinkt. ONTOEREIKEND Het is in verre steden dat je naakt voor ons poseert, ons dagelijks het woord ontneemt : een flardje bloot geschoten been, een arm die bloederig van lijf & leed wordt afgerukt, een stilstand bij een kind dat moedeloos zijn buik betast, een oog dat zwemmend zin betoogd, mensen die als meer dan vel ook jou ter harte mensen willen zijn. Het is omdat ik gras & as bemin, je wereld in een weids gebaar in elke plek betasten wil, dat ik, die van je droom een kleine daad voltrekken zal, misschien, dat ik niet kijk, niet beef, in onmacht stervend leef, volwaardig naar je schoonheid streef. Ik knijp je lachend in de arm : het is zo dicht bij mij dat jij verhelderend afwezig blijft. BEHOUDSGEZIND Als het velletje van mijn geschriften, baldadig nu & vergenoegd, door misverstand, door overmoed die jij mij wild aandoet, droogweg achterover wordt gedrukt, als jij mij knelt & woorden tomeloos rond mijn daden spelt die ik niet in mij draag, niet dragen wil, als jij mij noemt, mij neemt (onvoorwaardelijk tot vent ontkracht), dan ben ik dit, dit niet, dit alomtrent. AVONDLIJK Veronachtzaam mij, ik heb mijzelf te ijl om jou ontsponnen, ben als herfstlicht, nu je haartooi schittert, louter vanzelfsprekendheid, lucht die in je adem adem streelt. Lig roerloos nu, vergeet mij slapende nu ik je slapend elke aarzeling vergeef, laat mij schoonheids onaantastbaarheden lieflijk rond je naakte schouders slaan, laat niets van mij nog in je dromen staan. Ontwaak dan straks totaal vervreemd van mij, opdat ik alle eeuwigheid ten spijt mij tijdelijk steeds weer & dichter bij je telkens in je puurste onbedachtzaamheid, je felste stilstand groots hervinden kan. ZAKELIJK Wonderbaarlijk noem je hoe haar stem mij vangt & ik van jou versleept op harde grond bevlogen kronkels maak. Betoverend vind je elk gebaar dat ik van haar op jou verhaal & hoe haar lijf in elke streling past. Zaligmakend heet het als ik in je krul, je tongen vurig lik & al gods heerlijkheden uit je dwing. Vergis je niet in haar, mijn lieveling : je kreeg van haar die zwoele stem, dat golvend haar, mijn zilverling. METAFORISCH Wordt je als dit lelieblaadje dat ik onder handen had, slechts een kleur die nooit nog van mijn vingers wil ? Wordt je als dit zomerse gras, zachtaardigheid, eens aangedrukt, een tijdelijke vorm van tederheid maar dra weer ongezien ? Was je als een vlinder beter ver van mij gebleven toen, toekomst die niet ik maar mij in handen had ? Wil je dat ik verder vragen bij je lichaam stel, je liefde letterlijk het naakte vel op spel ? Of wil je dat de zon haar licht nu feeëriek verstrooien gaat & vlekjes vijverwaterschimmering op gindse boomstam zet ? ASCETISCH Opdat je bloei mij raken zou, je huid mij tooien, lip die knelt & mij verdwijnend laaft. Opdat je tong mij laken zou, de maden likken, vlees dat krekels in mij krakend slikt. Opdat je hand mij wurgen zou, je vingers spiezen, been dat nagels in mijn zweren perst. Opdat je lijf mij branden zou, mijn roet verstrooien, dood die knaagt & al mijn stof doortast. EGYPTISCH In tegenspraak, uw zinnen tergende, soit disant als plaag in duizendvouden dit moment : hoe langzaam ik je open, hoe uitgesplinterd in mijn oor het kirren van je oudste lach weerklinkt. Ik, de schender van je opgeruimde staat, force majeure, riet dat splijtend naar je diepte dingt : in vreemde luchten mond ik uit, stof strandt op mijn tong van onbesproken kamers, tomben blauw in jou. Jij, op barricaden spinnende, aardse liaison, omkaderd vlees dat lacht om mij : langs brede lanen redt je oog het moeiteloos, deint je onbewogen hoofd in wervelingen mee. Zij, haar museale schoonheid is vanzelfsprekend nu in stilstand bevende nabij : schril tableau vivant, van hoe je uitverkoren door haar zee mag komen, hoe mijn leger sterft in jou. ONOMKEERBAAR Blijf bij mij, verdrijf haar niet, ik zal omstandig strelen heel je huid & in je broosheid teder stromen wekken tot je trilt & als je rilt je angst meedogenloos verbrijzelen, restjes pijn secuur uit groeven vijlen tot haar vlies je leden sluitend dekt & in je mond in gulpen goud haar stilte stokt, haar hitte stulpt. Blijf mij bij, verdrijf haar niet, ik heb je leegte in haar aangericht & in haar zinnen heerst onwrikbaar nu de kille wet van jou afwezigheid : verlangen tintelt in het spitse van haar handen & haar lust spant elk terloops bewegen in het weke van haar midden aan met snaren tot zij danst om waar ik snedig was. Ik strijk haar aan, zij zingt als glas. Wat ooit mysterie leek, is zo eenvoudig nu. Wat ooit belofte was, een naakte zekerheid : wat eens in wording was, wordt dra vergetelheid. HORATIAANS Zie je, Schätze, mensen in dit park van menselijke zaken, vrome mensen, stemmig & wellicht eensluidend met het stoffige van deze zomernacht hun wulpse conversatie? Hoor je ritselingen in dit gras & klavecimbelerig het knetterende zingen van vuur dat zich in duizenden vleugels vliezig vel op vel tastbaar bewogen verteert? Voel je strak mijn handen rond je lijf geklemd, vingers wriemelen rond eindjes been & ogen priemen in het weeïge wijken van je hals, het zilte parelen van zweet op jou? Ruik je fijntjes, Liebchen, giftig geurend gas in deze zak van angst, wasems in de bloei van barbecues, leven dat zichzelf verast, opgewonden water dat mijn mond, mijn maag uitbraakt? Likt je tong het poeder dat ik in de schuren op mijn akkers meng, nippen je besmeurde lippen wijn die in mijn aderen kolkt & eet je mee van mij, vlees dat in je stad verzengt? METAFYSISCH Je blote voeten leggen zindelijk het ritme van een valse musette op tegels koude steen : zoals de vlugge afdruk van je voeten, twee eitjes & wat topjes teen, beladen wordt met ballast, gebaren van je lichaamstaal, een platte kont, je aangestipte borsten, wiegheup, armvet, reikhals & je aardig swingend kopje, zo aards is kennis van verlangen & mijn hijgen dat ik weet : je hele drukpers draait op zweet. Maar zon & wind vervangen, als je glimlach & je warme ogen in mijn dagen trage angst, elke vorm van vocht instantelijk als tragische bijkomstigheid door, even eeuwig als je huid, het beroerde onbeschreven zijn van witte tegels koude steen : zo wordt ik netjes vrolijk ook & monkel ik mijzelf beroerend dat ik beter niets meer weet, niets van jou bewerken wil & niets bereiken dan onzuiver zout. PASTORAAL Sla je zomerrokje om je natte badpakslip, sluip met eksterlachjes weg langs wegels, toeter tonen met getuite lippen, klak verwachtingsvol je tongetje & rep je billen in het ritme van een deuntje dat je dapper maakt & los van zeden. Haast je, hemels elfje, kom & speel nu popperig voor mij het hamelmeisje in dit lang vergeten achterland. Haal je handen langoureus & onverschrokken door mijn korzelig verwelkte vacht, schurk je dijen droevig langs mijn grijze sik & spreek mij plagerig terwijl ik snik van rijke oogsten & het zaaien of het zicht uit kelderkamerramen op de ruwe meesterknecht. Ik sta dan straks nostalgisch schuddebollend weer het likken toe aan bokkehieltjes & het haken van je blauwe blouse aan mijn afgeknotte stompjes hoorn. Ga dan niet weg maar blijf tot 's nachts mijn adem onverstaanbaar verzen ratelt in de opmaat van een krekelwals & haal je zweet & schimmen op het lijf van spinsels in mijn maan- & winddoorlaatbaar krocht. Hecht je hijgen aan het kattekrijten & het krols gezwiep van hagedissen, slaak je diepste zucht JAARLIJKS Herdenk ik verworpen de dagen dat de zon je beeld gaf, klank & geuren van mijn adem, zwijgend, ik die voor je roodbekafte rug een gesel vlecht van gras? Herdenk jij slaafs nog mijn stem die in je taal de zinnen sprak, die geeuw, die gil, dat woord dat brak of enkel ik die huiden jut, links rechts, weg van het strand? Herdenk ik vroom nog de nacht dat in staatse mars ontijdelijk bewogen een bronzen wachter aarde openreet & rozig, mijn roosje, in kloven zweet & bloed je lippen lavende stolde? Herdenk je teder mijn tasten met angels & klauwen naar gaten & vouwen in je maan-belichtte, honds behuilde lijf & starende in grimas mijn aanblik van distels in je grijs-groene iris? Herdenk je dagelijks mijn steniging of is dit lauwe lijk dat op je woorden drijft & 's nachts verzwaard naar dieper sterven dingt daadwerkelijk gedroomd de dode letter van je laatste mededogen? AANSCHOUWELIJK Haar zotskap op & dansend in mijn handen, aan stok & draden hangende is zij de heks : onwerelds, doof ben ik haar toegewijd. Ik, die graag de kinderen het gieren gun & spot, leg nauwgezet met elke grimas, wenteling of kronkelpas een onverzettelijke haat in haar luchtig stoffen leden & gelaat. Met weerzin & met liefde in een oogopslag zie ik jou een kind bekijken, achteraan, dat in een appel bijt. Het bijt begeesterd tot het tandvlees bloedt - het vruchtvlees sissende, het sap dat spat -; & jij, doorwinterd & van vet ontdaan, verslingerd als eenieder op het zweven, versteend in je huid, wat anders wil je dan dat straks in onmacht ik in jou herhaaldelijk de noodzaak van haar val beaam? herinner mij omdat in dagen dat de zon je beeld gaf, klank & geuren van mijn adem, zwijgend, ik die met gescheurde nagels tanden slaat in elke roodbekafte rug & geeuwt & gilt & bladen streelt van zand, links, rechts, weg van het strand herinner mij omdat je beelden kolossale velden boven steden niesden & hun staatse mars de aarde openreet voor het zaaien van vergeet-mij-nietjes & de distels in het pretpark van je iris herinner mij omdat je hijgend in mijn slokdarm schuurt & hout van mij polijst dat trekkebeent naar het vertederende weefsel waar het nog de kramp van kent herinner mij omdat ik niets meer vond tot in dit uur van ons herinner mij er tijdig aan. EPISCH Vreemde : wrede vreemdelinge, verraderlijke vrucht, dochter van verwelkte, vaderloze wijken, onlieflijk kind, jij, dit heilloos levend ding, in dienst geschapen, ter dood gekluisterd aan je moederkoningin : angst die zich in straten rond je nest heeft vastgeklemd, angst die je ziel zo zielig zuigend heeft verminkt, je broosheid bijgeschaafd, je je weke hart meedogenloos gewet aan bruut gekorreld, opgehoopt beton, je tong gescherpt, je stem verschrild, je lust verkild tot eis van onaantastbaarheid : zie mij, vreemde, wrede vreemdelinge, zie mij aan & kijk : ik neem je in een oogwenk op, herinner mij terstond je blik, als kruisten zich tenminste nu twee tijden in een punt dat mij ondenkbaar leek, de blinde vlek op onze horizon de oude nacht weer klinken gaat, een mes weer zinnig trilt in hout. dochter van een dorre wijk, onlieflijk kind, je ziel verminkt, je broosheid bijgeschaafd, je weke hart meedogenloos gewet aan brute korrels opgehoopt beton, je tong gescherpt, je stem verschrild, je lust verkilt tot eis van onaantastbaarheid : ik neem je in een oogwenk op, herinner mij terstond je blik als kruisten zich twee tijden in een punt dat mij ondenkbaar leek, een spil waarrond in stilte van opgehoopt beton waar onverholen argeloze moeders doodgezwegen vaders rekken tot hun angst opbloeit het bloedt, in kringen golven trekken rond een blinde vlek, het fel verwenste spiegelvlak waarin de oude nacht nog klinkt, een mes nog zinnig trilt in hout. Vreemde, wrede vreemdelinge, stel : ik speel dit spel & maak een rit met jou : de trein vertrekt, ik laad je op, we gaan naar zee. Het treincompartiment verdeelt de afgelegde weg in schokjes winternachtverhaal : hoe ik niet dichter komen kon, hoe ver je van mij zitten ging, hoezeer ik leed aan tijdverlies, bladerde in boekjes vol verbittering : trochee die sleept aan mij, een voet onhandig morrelend aan wat mij rest : een losgereden bout van staal : mijn laatste leedvermaak, peukjes op de verlaten vloer : onopgesmukte tederheid, een biervlek op de ochtendkrant : in tijd gemorste eeuwigheid. Ik zie : je kust nadenkend al een ader op je hand. Ik wacht. Je vult wat in, een spoor loopt dood, ik slaap & ril & wacht & snurk. Je lacht : de weg is lang. Een hel loopt parallel jou hemel uit te dagen & als de avond valt verdwijnen roemloos steden in lange curven autoweg- verlichting, versnellen dorpen tot een witte flits stationsverla- tenheid. Ik droom dat ik zeer rijk, fervent & tropisch met je lig te dollen op een tastbaar strand : te dol : een tegenligger proest je bulderend uit mijn droom : ik ben weer hier & nergens bij jou, je dag is mij compleet ontgaan je avond lijkt mij ochtendlijk. Een dorp weerstaat homerisch even aan je eis van stilte, einde van het beeldverhaal, want hoe zij ook jouw spiegeling te buiten gaan, je licht vervormen & als een letter op je voorhoofd staan : ik zie : je staat al op & vraagt mij niets, trekt dood- gemoederd het lapje stof omlaag, beschaamt je sexe niet, verdeelt je wereld wederom in hokjes binnen, buiten, uit & in. Ik zie : ik zit : dit is een slecht begin. Spaar mij ondertussen niet je nymfomane hoon : ik paarde slechts mijn vingers tijdelijk tot groet, een schijn van heiligheid, vooraf- gaand, vreemdelinge, aan het minder fijne antwoord op je machtsvertoon. Want, jij, zwartbehaarde tengere, jij,tergend fijnbelakte nagelhoudsterdier AFSCHRIFT Het draagvlak zweeft, waarop je mij omarmen wil : een web verderf, een bladerdek met in elk blad de nerf die met een knak zijn tak afvallig werd, Een laagje daad, waaronder niets je ijle droom wil ankeren. Of weet je niet dat in luchtledigheid je liefde onverschillig valt als lood ? Ik adem & rond het kluwen dat je staande in je brede cirkels hebt vergaard, verdwijnt meteen wat haast het wezen leek van mijn bestaan bij jou. Ik vul niets in & hou niet van wat tergend traag jou wereld uit, mijn hemel in als lucht weerspiegeling bij jou ontstaat, je laat, bij mij vergaat. De tijd verslikt zich in de dagen die ik tel, de aarde graait naar oud geluk & dolgedraaid doorleef ik dit geroffel van mijn bedelstaf. Een gloeidraad brandt in stilte glijdend langs de lijn : zo sneden jongens nog hun hart uit schuimplastiek & viel het bloeden voor het meisje niet te zwaar, zo brand ik stil je leven uit, zo laat je woord mij niets dan leegte op je tong. Breek dan dit oog, hak dan de hand die naar je reikt in duizendvoud : Ik schrijf je af uit boeken die ik vroeger las, maar elke letter die ik 's nachts in grote halen trek, steekt klem in mij & koud als staal. dirk vekemans LA VIE SEXUELLE DE CHARLES BAUDELAIRE 63 één- tot vierstemmige inventies 1. L'enfant désherité s'enivre de soleil een voetafdruk geluid in grint & maanlicht op de wagen viel tot haar lichaam zich weer sloot, tot haar lichaam zich weer sluit. kleur bedacht ik om het haar & om het vlak der ogen te betasten, warmte om het einde van mijn koude op haar poorten voelbaar stuk te slaan. een korte nacht wellicht is dit bestaan. Envoie-toi bien loin de ces miasmes morbides; vel op derrie, roos in slijk, op vegen nacht een vaal gezicht tot haar lichaam mij bekoorde, tot haar lichaam mij bekoort. vlees verhaalt de zeeën hoe het vocht vergaat in grond & bloemen uren dichten mij : doe ik mij sluitend in haar toe, tekort aan haar wellicht is wat ik doe. Et vous, femmes, hélas! pâles comme des cierges eender licht door kathedralen als door ijs dat wellust ving tot haar lichaam ons bedaarde, tot haar lichaam ons bedaart. onbewogen zie ik strakke koorden van haar ogen naar mijn dood : niet in cirkels boven daken vliegen duif of meeuw of mus. tekort aan niets wellicht gebiedt de kus. Le succube verdâtre et le rose lutin kruisweg in een kromhals : dooft, verkilt & smelt de droogstoof in tot haar lichaamsgrens vervaagde, tot haar lichaamsgrens vervaagt. armer blijft wie kundig draait zijn lust & nijd tot stemmig grijs, dan hij die in zijn aarden bed tot dageraad naar zilver graaft. tekort aan dorst wellicht wordt nooit gelaafd. Rien n'embellit les murs de ce cloître odieux. als een goudvis doet & stom naar wolken loenst of op plastic vellen huiden vliezig kleeft tot haar lichaamskluwen openbarstte, tot haar lichaamskluwen openbarst. rust vervagend, drinkt zo zoetjes, oorlog onverhoeds in stulpen knippert, gulpt dan op & af hun schimmen drift tot op staalblauw glas dit bloedend klompje ligt. in korte scènes wordt wellicht ook hij belicht. L'Art est long et le Temps est court. dixit humus, slijm & steen, & dito wereldzieken uitgemergeld dansen tot haar lichaam niemand kwam, tot haar lichaam niemand komt. paradijselijk ijs barst open waar een engel werd gevild & onrustbarend in hun glazen steden zindert de antieke gil van vleugelnood. kort wellicht & pijnlijk is het schone voor de dood. 2. (advertentie) L'empire familier des ténèbres futures helaas (het schranst & schuift aan elke tafel) een drift ons welbekend,- (loop ad libitum) (humus, slijm & steen herhalende weerspiegelt Hem van stof tot as) (gruwelmantra voor haar lichaam tot & met een grimas dromen fragmenterend - borst ontvolken, hinderbeentje krak & kom, de velletjes herinnering gebrandmerkt versturen) ofschoon het echte nimmer zal verduren (hélas!) het (prison si non, cré nom) rijk (ref.b.b.:0618/0296) Je hais le mouvement qui deplace les lignes, een oud gebruik (heradem niet) : ik tast je vlees beminnend aan,- (in het tempo der getijden soms bij helder weer bedenk ik mij) (teder noem je hoe mijn vingers vluchtig vlammen langs het kammetje van wervels terwijl ik onverbloemd de uren tel & elk gebaar een drieste leugen is) ofschoon niet echt subliem toch zingend is Ramper sur le versant de ses genoux énormes, gespleten aarde (slangen in je buik) waar ik lallend instuik, stik in je huid,- (indachtig kathedraalgezangen soms op autostraden nog herken ik mij) (liefde, herhaal je mij mijn liefde voor het openrijten mijner wonden & nog als ik hanteerbaar ben geslonken klinkt er harpgetokkel in je na) schoonheid lost wel echt vanzelf op als ik ga : N'es-tu pas l'oasis ou je rêve, et la gourde een doodgewaande (geilend op een bal masqué) die mijn glimlach steelt & tot je spreekt,- (herinnerend de oude tover soms van avondschemering weerkaatst het mij) (het kermen in steden van cello's, vraag je mij & aan de kust de wreedheid van meeuwen & het pochen der verminkten in het dorp,- ik, die aan je mond van vrede gulzig drinken wil) hoe echt niet klinkt de schoonheid als ik gil : Ô vase de tristesse, ô grande taciturne een geijkte vorm (in stilte & dan nog) van inspraak : in een knikker dit papiertje,- (reciterende een waslijst kleuren soms bij volle maan doorgrond ik het) (zeldzaam ben je, wil je mij maar ligt daar niet een bedding dichtgeslibt naar syfilliete schuim te lonken. Eiland ben je, zeg je : touch me, touch my brain) breekt het echter uit het schone als voorheen Tes yeux sont la citerne ou boivent mes ennuis niet die klapwiekende (halsuitsnijding hijgend) geketenden : jeder Engel ist schrecklich,- (gemuilkorfd tellende de lijken soms na middernacht verbeeldt het zich) (knarsetanden, zeg je & een rilling door verkilde spieren trekt je wangen in een hatelijke plooi, jezelf ten prooi ben je, zwijg je & in je blik versteen ik) zum kotsen het schone maar hoe echter ontbeer ik La froide majesté de la femme stérile ex nihilo nil (je benen bengelend & koud) nemo creavit : een mandelboom incluis,- (binnensmonds gejubel registrerend soms kantelt in het duister nog dit brandpunt) (open diafragma, lichtval schaduwloos op dit dat zich verheffen wil tot dat & het wachten samenvat met einde lichtval, diafragma sluiten, duisternis) ofschoon niet echt berustend in verdoemenis 3. LE SAULE & LE SERPENT QUI DANSE (advertentie) Mer odorante et vagabonde / Le saule & de zee verdwijnt (het sneeuwde & alles trok sneller in je samen van het bontgekleurde vlak, de simultane hemel - praise his dick! - dan dat een pil het je uit het hoofd kon praten) zei ze (prinses, jazeker, maar honderd erwten zullen schuren bikkelhard & prinsen droom je beter met een kattetong) (de wilg is wuivende) nog even (schaapjes scheren) (het licht uit & samen de stilte beheren), zei ze, heel eventjes (het kreng) nog Et ce monde rendait une étrange musique/ le bienheureux & weerom kwam (aargh, een zwarte vlek- ik schrok me rot- een kat of iets, een hond zo rakelings m'n blote enkels langs op het gras, de dauw, zo warm & harig, gruwel weet je, net) als vuur (een woordenschat die man & als je tong zich in hem roert o Ooh, dan voel je zo het ambrozijn je bil afdruipen) (zalig hem, gebalsemd liefst) die blik haar ogen in. (Ontwaak je samen & je huid is een muur). wit op wit La froide cruauté de ce soleil de glace / Déjà sa chevelure effleure & in dat weidse net een stip (dan doe ik dit & met je adem alles slinkt tot ruis, een zee van ondertonig ziedend leven, de tijd is zich ontrollende een slak, languit, mijn hoofd het strand dat alle landen is) was jij (schrikbarend zal het zijn hoe eender het ons wordt, hoe wij ook wortel zijn & hoe dit stervend loof, hoe wij als water, aarde, vuur) (een web van takken koude bloedt) die nader kwam, (bewogen in de wind) niet bij mij kwam, (bewegen) mij in je nam Je me pris à songer près de ce corps vendu / La surface de l'invisible & hoewel ik onbestaande was (bij volle maan, gezusters drie, & liefde druppelt paars uit elke porie, wij staan met armen zwaaiend hoog als hagen uren in de wake & bij de stijgende verstijving van je leden dissecteren wij de holle klanken van je naam), niets nog (ben ik mijzelf dan ben ik haar die jij net sloeg & ook wel dit waar jij op geilt & zeker haar die ook mij droeg dus hou van mij) (een lichtjaar leegte biedt zich aan) van mij staande bleef, (& heb dan schoon genoeg) bloedeigen pijn ik in je dreef. Un air subtil, un dangereux parfum/ Bientôt peur-être tout à l'heure voorwaar stijgt dan een zerpe geur (dit harnas sloeg ik rond het verdwijnen dat je was & in de aarde waar je aangezicht uit week, in holten waar je klaagzang galmde, je smeken om erbarmen sporen trok, in slierten resten slijm, kweekte ik de vrucht) van steengruis (luister, dropje van mijn wrok, mijn lieflijk kloppend hartje in een buik vol snot, luister hoe ik van zijn kille lust mijn wapen smeedde) (& handen die druipen van mirre) rollend in een tochtig hol (& tot zijn spijt zijn lichaam spleet) & word je van haar leegte vol. Un spectre fait de grâce et de splendeur / L'eau profonde l'emportera voor spiegels soms dit lichaam staat (& ik zal naakt zijn weer het dier dat in zijn geur geworteld 's nachts de maan behuild & mannen ach, een twijgje knakt zo teder in een klauw & overdag in maskers maquillage ijselijke klanken snauwen tot de bitch waar ik van hou) & rukt het vlies (ik beef & ril, mijn buik is ziek & onderhuids stelpt bloed in punten uit hoe snel ik sterf, hoe kort mijn tijd, hoe sterk de lust) (de zee dit leven trekt) van ogen af tot ik verschijn, (om niet te zien, niets) & in die waas ook dit, dat jij (te zijn). Dans la brute assoupie un ange se reveille / vers les oiseaux de mer opdat ik zwijg dien mij uw voedsel toe, zeg ik (het bed staat leeg vanochtend & met verstomming slaat het doodgewoon vertoonde liggen van het slaapkleed in een bundel op het voeteneind, de glinstering van haartjes nu de zon zo hoekig aan haar afdruk tipt of het zielige kwijnen in brak water van een bloementuil.) opdat ik zwijg (aargh een zwarte vlek - ik schrok me rot- een kat of iets, een hond zo rakelings m'n blote enkels langs op het gras, de dauw, zo warm), (niet eindig maar een baken) zeg ik & weerom komt als vuur (& harig, gruwel weet je, net) die blik zijn ogen in.). Ontwaak (advertentie) Elle n'a pas besoin de mots De kleur is die der schouders van de Catalaanse die de bar bedient. Warmte is er van de ochtendzon & koffiegeur. Ze steekt een goud-omlijnde king-size op : een zacht bourdon zet in, zwelt aan tot al wat losstaat trilt. Zuivelhandel Nijs schuift voor de ramen & des zondaars blik rijgt zich een tweedraad klavecimbel door het blok van haar bewegen. Daalt neder dan de vinger gods die haar voortaan van glas in gleuven tussen klanten & zichzelf gespannen houdt. Kijk : de krant bloedt open & wie stil is & de room slokt heeft gelijk (want buiten is waar tovenaars met honden staan te hijgen). 4. LE CHAT (interlude futuriste, presque Apocalyptique) Un ëtre, qui n'etait que lumière, or et gaze 'Het licht is uit een kathedraal geknipt. Er heerst daar nu een duisternis, ondenkbaar dicht bij god, & ook de stilte draagt weer voluit zijn naam. Helaas : het licht is goed, maar stof is een probleem. In wierookresten wemelt Bach die zich in glaciale klusters nestelt & somwijlen voelbaar in haar kuiten zindert. Ach : unicuiique dedit vitium natura creato & boven dien maakt dit veel goed : je kan haar dimmen tot ze smeltend in zichzelf verdwijnt of versterken tot ze zonsgelijk verblindend schijnt!'* Il juge, il préside, il inspire 'De geur is die van toen uiteindelijk de regen viel. Vaag blijft de herinnering : een oude man zit eenzaam op een heuvel, heeft uitzicht op een stad die in de droogte kraakt, verkruimelt in haar kader. Vuur schiet plots door beddingen & straten & in een flits verdwijnt de stad, wordt restlicht op een oog van spiegelglas. Even dwarrelt nog de asse, ongezien. Een eeuwigheid duurt dan het ruisen van verschuivend zand : het is alsof de tijd is in een lus beland. Het kind hoort na de eerste druppels pas het gieren van de wind.' * Ayant l'expansion des choses infinies 'De huid is inhoud, in essentie onaantastbaar. Vorm wordt aan het ogenblik gegeven, met strak gewoven lijnen eerst, waarvan de kromming onbestaande lijkt, een ondoordringbaar ogend vlak, dat bij benadering de zwartste diepte van een oceaan ontsluit. Zinkend in het blauw van oude hemelen voel je dan haar duizend vingers glad & koud de grenzen van je omvang openen : een bloem slaat in je borstkas uit. De vorm is als voorheen gebleven, inhoud is de huid.' * Le soleil c'est noyé dans son sang qui se frige 'De klank is die van kolkend vocht dat stollend in de slokdarm klokt. Afloop, teleurstellend. Lonkend verre diepte voor een wereld met aan leven een natuurlijk aangekweekt teveel, einde dat van mijlenver de mond voor mokerslagen stelt, huid op krasse spinnewielen spelt. & nog, terwijl het zwart in alle plooien glipt & al je molenwieken naar die stilstand slipt, vergaat het haar, ontstaat ze, rillend, daar.' * (vrij naar een recensie van 'Doom 8.1', in GameWorld, januari 2011, University Press, Oxford) C'est un pays plus nu que la terre polaire 'De smaak is als een bominslag kortstondig. (Nieuws werd uit verveling saliviaal gemaakt, consensus wordt na mengeling met Sport & Weerbericht een aphrodisiac, & over Kunst wordt weer met mondjesmaat gesproken) Het einde vind je als je keel van doodsdrift brandt & ziektezuren uit je sinus druipende je aars van angst verkrampt : om dan van alle heerlijkheden kilte op haar tong te voelen & het flitsend inslaan van anijs met onder hoefgetrappel krakende (koos ik) haar ijs...' * Nieuwere Losse Gedichten & gelegenheidswerk Janine B. In een gigantesk kokon van uitlaatwasems, infernale dampen vol vlijmscherp geknetter van prehistories motorkabaal, vonken op het asfalt van afhangende resten roestend metaal & laag na laag van vilt & vet & wol & wijn & kilo's kattehaar : zo zag ik haar de stad in sporen trekkende het eerst. Een heks wellicht, met hoofddoek, gif & toverwoorden in de donkere krullen van heur haar, dacht ik & later nog 'sta ik met m'n kinders niet te dicht ?' Gerustgesteld werd ik pas jaren later toen zij in het hout van goedgeaarde togen tussen vlagen trippels en trappist haar kronkels sneed van lief & leed & letters uit een leven die je niet vergeet. Kennis heeft zij inderdaad met geesten, & van dit ondermaans gekonkel kent ze wortel, bloed & zweet. Maar als na stapels brandhout & wat kilo's kommer & gezeur de kou uit alle botten is geweken, sta je graag met haar op 's werelds barricaden te vloeken & te turen naar Europa's laatste open deur. feb 99 Steenval met omstaanders : bewezen schuld zodra de kat haar klauwen likt. Wat je al niet doen moet, zeg ik, om de hemel uit te klaren. Zwijg toch, riposteert een zwartgelakte, terwijl de bijval in haar onderbuik de eerste letters sist. Applaus, herhaal ik, wordt na dit stuk van weinigen verwacht. Ze knikt, verslikt het laatste mededogen, & bereikt een einde. Maar inderdaad : mijn hand geurt weken later nog. * * * Politieke Sehnsucht : oogbederf kruipt als een rooksignaal uit oude prentjes het poezelige heden in. Stamvaders kreukelen schurend des winters ternauwernood een tepel langs. Witte vis verliest zijn geur terwijl een dame ditmaal voortschrijdt over velden van water : houdt van mij, houdt niet van mij. Geloof is een hondje. jan 99 - voor een project 'For Morton Feldman' * (vrij naar een recensie van 'Doom 8.1', in GameWorld, januari 2011, University Press, Oxford) Le chat 1, 72 l'irreparable, 79 le chat 2, 73 le chat 2, 73 * (vrij naar een recensie van 'Doom 8.1', in GameWorld, januari 2011, University Press, Oxford) * (vrij naar een recensie van 'Doom 8.1', in GameWorld, januari 2011, University Press, Oxford) * (vrij naar een recensie van 'Doom 8.1', in GameWorld, januari 2011, University Press, Oxford) * (vrij naar een recensie van 'Doom 8.1', in GameWorld, januari 2011, University Press, Oxford) 2 6 8 10 11 19 24 35 48 52 55 62 72 93 102 105 107 120 133 160 171 175 276