Zelden zijn het wielrenners
en merendeels onbekend
met hoe een benzinemotor werkt.
Vreemd genoeg voelen ze zich wel op hun gemak in taxi’s.
Ze zijn op pad in de kleine uurtjes
en gaan voor de bijtende blauwe likeur
die je je voor de gein aanschafte
in Mallorca, en staan laat op.
Er zijn complete straten
waar niemand bekend is met hun werk.
De bril,
een vader in het leger
en de afstand tot de meest nabijgelegen hoeve
maakte hen eenzaam.
Hun huisdieren
genoten uitgebreide uitvaartplechtigheden.
Niemand begrijpt ze.
Ze zijn er buitensporig trots op
want ze hebben
de broederschap
van postkamer en kapsalon
immer geschuwd.
Ze schrijven een woord
en dan nog een.
Meestal is het het verkeerde.
Hun doorhalingen zijn legio.
Ze zitten in de trein
en rijden door katoensteden als de avond valt,
zien hoe hijskranen zich aftekenen
tegen de purperen lucht
en hoe de uitgestrooide poedermelk
plooit en deint in hun koffie,
en begrijpen dat beide zaken
nauw hoorbaar hetzelfde fluisteren: ‘Dood.’
(Mark Haddon, “The Talking Horse and the Sad Girl and the Village Under the Sea”, 2005, attempt of translation)
Post a Comment